Hans en Grietje


Auteur: onbekend (volksvertelling)
Opgetekend door: De Gebroeders Grimm
Naverteld, bewerkt en gemoderniseerd door: Frederick Haverkate

Classificatie: Vanaf 4 jaar
Genre: Sprookje
Emotionele Classificatie: ontroerend, lief, spannend
Copyright: deze hervertelling/bewerking/modernisering geniet auteursrechtelijke bescherming. Het copyright berust bij F. Haverkate/Nieuwe Sprookjes

Noot: omdat uit dit wereldberoemde Sprookje het kannibalistische element (de Heks wil Hans en Grietje in de oven bakken om ze erna op te eten) verwijderd is, en het thema dat de ouders van Hans en Grietje ze het bos insturen om ze daar de hongerdood te laten sterven, aangepast is aan deze tijd, wijkt deze hervertelling sterk af van de traditionele versie

Categorie:

Beschrijving

Hoofdstuk 1: De arme houthakker

Er waren eens een broer en een zus. Zij hielden veel van elkaar en zij speelden altijd samen. Wanneer hun moeder riep: “Hans! Grietje! Kom toch binnen, vader heeft het vuur aangemaakt!”, dan riepen Hans en Grietje terug: “Maar mama! We zijn aan het spelen! We hebben het helemaal niet koud!”
En dat terwijl het winter was. Het vroor dat het kraakte en het was bitter koud.

Hans en Grietje waren een sneeuwpop aan het maken. En die werd echt erg mooi. Van hun mama hadden ze een wortel gekregen en die mochten ze als neus voor de sneeuwpop gebruiken. Toen de sneeuwpop af was, gingen Hans en Grietje ervoor staan. “Mooi is hij geworden, hè Griet?”, zei Hans. “Heel mooi, lieve broer, héél mooi!”, antwoordde Grietje. En ze nam de hand van Hans en even tuurden ze samen naar hun prachtige sneeuwpop met wortelneus. Toen gaf Grietje Hans een duw, en ze begon sneeuwballen naar hem te gooien. “Hier!”, riep ze, “Daar heb je niet van terug, hè?” Maar Hans liet niet op zich zitten. Ook hij pakte sneeuw en wreef die in zijn handen tot ballen, waarmee hij zijn zusje bekogelde. “Je denkt toch niet dat je het van een JONGEN kunt winnen?”, riep hij naar zijn zus. “Ha!”, riep zijn zusje, “Nu misschien niet! Maar wanneer meisjes later GROOT worden, worden jongens ALTIJD verliefd op ze. En dan hebben WIJ de MACHT over JULLIE!” “Poeh!”, riep Hans, “Mooi mis!”, waarmee hij zowel de woorden van Grietje als een sneeuwbal van haar die hij goed wist te ontwijken, bedoelde. En hij wierp een sneeuwbal naar zijn jongere zus. “Mooi raak!”

Hun lieve moedertje was buiten komen staan en keek met de handen in de zij naar het vrolijke tweetal. “Jullie zijn me d’r eentje!”, zei ze hoofdschuddend. “Klopt niet!”, riep Hans. “Nee!”, viel Griet haar broer giechelend bij, “Wij zijn d’r een TWEETJE!”
En vrolijk lachend en elkaar stompend, giechelend en grinnikend, liep het lieve tweetal het bescheiden huisje van vader Fürwerck binnen.

Maar vader Fürwerck, die houthakker was van beroep, zat voor de haard en hij staarde somber in het vuur.
“Wat is er, papa?” vroeg Grietje, terwijl ze haar lieve armpjes om de schouders van haar vader heen sloeg, “Ben je soms ziek? Is het je te koud geworden in het bos?” “Ach kind,” zo sprak de vader, “Ik ben toch houthakker van beroep! Hout zullen wij altijd wel hebben, en waar hout is, is vuur, en waar vuur is, is warmte. Nee, kou zullen wij niet lijden. Maar te eten…” “Te eten…”, vulde haar moeder met een veelbetekenende blik aan. “Te eten hebben wij niet veel meer, kind!”, besloot vader Fürwerck. “Dan stelen wij wat!”, zei Hans ferm, “Ik ga naar het dorp, en ik pak gewoon wat fruit en groente weg. En een paar aardappels steek ik zó in mijn zak!”
“Je bent een goede zoon, mijn Hans,” zei de vader, “Maar jij gaat niet uit stelen, want ik zal het niet dulden. Wij zijn eerbare mensen, en als wij van de honger sterven moeten, zo zúllen wij! Maar een zoon van mij zal nimmer uit stelen gaan!”
“Zal ik dan de wortel van de sneeuwpop halen?”, vroeg Grietje zielig, “Dan hebben we tenminste wat groente voor vanavond.” Haar moeder streek haar dochter over het hoofdje en zei: “Wacht daar nog maar even mee, kind, hij blijft buiten toch wel goed.”
Bedroefd keken Hans en Grietje in het vuur. “Hebben wij ècht zo weinig, pappie?”, vroeg Grietje voorzichtig. Moeder Fürwerck zag dat de tranen haar man in de ogen dreigden te springen en ze viel hem snel bij: “We hebben nog één brood,” zo sprak ze, “En dat zullen we eerlijk delen. Met dien verstande…”
Ze keek schuin naar haar man. “Met dien verstande,” hernam die zich, “Dat jullie driekwart van het brood krijgen en wij de rest.” “Wat is ‘driekwart’, vader?”, vroeg Hans.
“Het betekent dat het meeste brood voor jullie is,” zo sprong de moeder haar man bij, want ze zag wel dat de arme vader overweldigd werd door tranen, omdat hij voelde gefaald te hebben als echtgenoot en als vader, “Jullie moeten er nog van groeien, zie je?” “En jullie dan?”, vroeg Grietje, “Als jullie te weinig te eten krijgen, dan… “ “Dan gaan jullie DOOD!”, riep Hans en hij barstte in snikken uit.
“Wel wel,” zei de vader en hij nam met betraande ogen zijn zoon Hans in de armen, “Zo snel gaat een mens niet dood, hoor! Wij zijn sterke mensen, weet je! Mijn overgrootvader was al houthakker en die was sterker dan een beer! En jullie mama… wel, die weet van een korstje brood en een stukje tomaat nog een maaltje op tafel te zetten. Houd de moed er maar in, lieve zoon. Verhongeren zullen wij niet. Geen van allen.”
En bedrukt, maar toch getroost door de woorden van zijn papa, zette Hans zich naast zijn zus en vader op de eenvoudige houten bank voor de open haard.

 

Hoofdstuk 2: De Heks in het bos

Diep in het woud, ja… het woud waar vader Fürwerck zijn hout hakte, daar woonde een Heks. Een heel gemene, kwaadaardige Heks. Zij luisterde naar de naam Bebhînnh en zij deed niets liever dan anderen pijn doen, zij was een echte kwelgeest, een pestkop en een treiteraarstertje.
Het liefst’ van al, tja… het liefste van al, deed zij KINDEREN pijn. Het was haar lust en haar leven, hoe akelig en naar dit ook klinken moge. En omdat nu eenmaal niemand houdt van Heksen die kinderen pijn willen doen, had Heks Bebhînnh besloten zich diep in het woud terug te trekken.
Maar diep in het woud kwamen geen kinderen, en àls zij er al kwamen, gingen zij zeker niet naar zo’n lelijke Heksenhut als die van Heks Bebhînnh! Daarom had de boze Heks het onaanzienlijke houten huisje dat zij zelf had gebouwd, zo aanlokkelijk gemaakt als zij maar kon! Zij had er koeken en snoepgoed overheen geplakt, zij had haar naambordje in chocolade laten maken, zij had winegums over de brievenbus geplakt, het dak had zij bedekt met spekkies en pannenkoeken met stroop en in haar Heksentuintje stonden alleen maar suikerspinnen en reuzenlolly’s!
Zo zag het Heksenhuisje er ALLERLIEFST uit en dat was PRECIES de bedoeling van de gemene Heks. Kinderen zouden het snoepgoed zien en hierdoor naar het Heksenhuisje toe gelokt worden. Dan zouden zij van het snoepgoed –dat betoverd was- gaan eten en dan had Heks Bebhînnh ze in haar macht. Dan kon zij ze als slaafje gebruiken of ze lekker gaan pesten en treiteren. Want dat was nu eenmaal haar liefste bezigheid. Zo zat de Heks daar nu, wachtend tot er een onwetend of verdwaald kindje zou komen, dat oog zou hebben voor al het lekkers op haar SNOEPHUISJE. Maar zij wachtte al zo lang, en geen kindje kwam………

 

Hoofdstuk 3: Moedertje wordt ziek

De kou werd immer erger en het brood raakte op. Vader Fürwerck ging uit bedelen in het dorp, maar niemand gaf hem wat. Zijn lieve zoon Hans wilde uit stelen gaan en hij sprak hier opnieuw over met zijn vader, maar die verbood het hem.
“Wij gaan met God, wij zijn eerzame mensen, en eerzaam zullen wij blijven! Wanneer niemand ons wat te eten geeft en God draagt ons op dat wij van de honger om moeten komen, zo zúllen wij! Maar wij zullen geen dieven worden, ik zal het niet toestaan!”
Hans moest heel erg huilen om de woorden van zijn vader, maar hij was er ergens ook blij om. Intussen lag Moeder Fürwerck in bed. Haar gezicht was bleek, zij was koud-rillerig en klam van de koorts. Zoon Hans kwam naast haar zitten. “Moedertje!”, zei hij, “Je zult toch niet sterven? Wat kan ik voor je doen, dat je je beter voelt?” “Water,” fluisterde zijn moeder met hese stem, “Haal wat water voor mij.” En wèg vloog Hans, hij rende naar de bron. Hij tapte een hele emmer water en hij zuiverde het. Toen nam hij in de keuken een grote beker en hij vulde hem met helder bronwater. Erna ging hij naar de slaapkamer en hij zette de beker aan de mond van zijn zieke moeder. Die dronk er voorzichtig uit. “Jij was een goede zoon, Hans, ik heb altijd veel van je gehouden. Maar haal nu je zuster, ik wil ook haar spreken.” En met tranen in de ogen ging Hans op zoek naar zijn zusje Grietje. Die was de woonkamer aan het oppoetsen. Hans vertelde haar dat mama haar wilde zien en Grietje liet haar werkzaamheden ogenblikkelijk in de steek.
“Och mammie,” zei Grietje toen ze haar moeder zag, “Wat zie je bleek! Wil je niet wat eten?” “Wàt dan?”, zo vroeg haar moeder, “We hèbben immers niets meer!”
En Hans beet op zijn lip, liever was hij toch uit stelen gegaan, liever had hij een paar dorpsbewoners op hun kop getimmerd zodat hij wat te eten zou hebben gekregen voor zijn zieke mama, maar het mòcht niet van zijn vader. “Hans,” zo fluisterde zijn moeder, “Maak je geen zorgen! Ik ben erg ziek en ik zal toch heengaan. Ook al krijg ik nu wat te eten, dan zal ik morgen sterven. Ik hoor de stem van God en Hij zegt dat mijn tijd gekomen is. En als God spreekt, dan helpt geen voedsel meer. Zorg voor jullie vader en houd van elkaar, dan komt alles goed.”
En de moeder zakte ineen in haar kussens en werd lijkbleek.
“Mama!”, riep Hans, “Zo kun je niet gaan! Zeg ons nog één woord, spreek nog één woord tot ons!”
“Laat elkaar niet in de steek,” zo sprak de moeder, “en vertrouw op God!”

En met een zucht verdween de moeder in haar witte kussens, zij werd òpgenomen door de Engelen van God, en verkreeg een Eeuwig Leven van Geluk.

— — —

Maar vader Fürwerck staarde somber in de vlammen van zijn haard. Hij zag het niet meer zitten. Hij hoorde vaag de stem van Hans en hij begaf zich naar de slaapkamer om de ogen van zijn vrouw te sluiten. Toen groef het drietal een grote kuil in de tuin en zij begroeven mama daar. Vader hieuw een groot houten kruis en eenieder mocht er een zin in graveren.
Vader Fürwerck schreef: “Ter nagedachtenis aan mijn innig geliefde echtgenote, onze lieve en zorgzame moeder.” Grietje schreef: “Rust zacht, lieve mama!” En Hans, die lieve zoon Hans, die wilde eerste HELEMAAL NIKS schrijven, want hij had te veel hartenpijn en verdriet. Maar na een week klauterde hij midden in de nacht uit bed, en hij schreef met hanenpoterig handschrift in het houten kruis: “Mammie, ik hou van je!”

 

Hoofdstuk 4: Het Snoephuisje

Intussen begon de Heks in het bos zich aardig te vervelen! “Nu heb ik zo’n MOOI SNOEPHUISJE gebouwd, maar geen kindje wil tot mij komen! Hoe saai, hoe vervelend, wat moet ik nu beginnen?”
En de Heks besloot het dorp in te gaan om nog meer snoep te kopen.
“Hebben jullie geen witte chocola, daar houden kindertjes vaak ook wel van! En zuurstokken en kokossnoepjes, hebben jullie die ook? Dan wil ik nog graag gevulde koeken en brownies, slagroomtaartjes en tompoucen! Doe ook maar wat chocolade met hazelnoten en een paar zakjes met zuurtjes en gomballen! Ach, weet je wat, geef mij ook maar enkele pakken vanillevla, hopjesvla en chocoladevla! Het kan geen kwaad! En nu u toch bezig bent, had ik ook graag wat krentenbollen en rozijnenbrood, een paar moorkoppen en wat roomsoesjes. Je weet maar nooit waar die kinderen van houden, nietwaar?
De winkelier luisterde nauwelijks naar de verhalen van de vrouw – het interesseerde hem ook allemaal geen zier-, hij was slechts blij dat zijn kas weer eens goed gevuld werd door deze royale bestelling! Mevrouw Bebhînnh keerde met zakken vol lekkers naar haar Snoephuisje in het bos terug. Zij maakte het Snoephuisje nog veel lekkerder en aanlokkelijker dan het al was. Aan weerszijden van het toegangspaadje stelde zij torentjes met brownies en gevulde koeken op. Naast de voordeur zette zij een grote mand met krentenbollen. De voordeur zelf versierde zij met zuurstokken, gomballen en noten!
“Als er nu geen kindje op af komt, dan weet ik het niet meer.”

 

Hoofdstuk 5: In de dorpskroeg

Na het overlijden van zijn lieve vrouw was houthakker Fürwerck erg veranderd: hij staarde vaak hele avonden somber in het vuur; om zijn kinderen bekommerde hij zich minder en minder.
Hans en Grietje merkten dat natuurlijk en ze deden er alles aan om hun papa op te beuren. Het lukte niet en het kwam ook steeds vaker voor dat vader ’s avonds naar het dorp ging.
“Hij gaat vast naar de kroeg,” zei Grietje, “Dat is niet goed.”
“Nee,” zei de jonge Hans wijs, “Daar moet je heen als je vrolijk bent, want dan word je er nog vrolijker. Als je erheen gaat als je somber bent, dan word je er nog somberder.”
Maar de kinderen wisten niet wat ze ertegen konden doen.

Mevrouw Bebhînnh moest ondertussen met lede ogen aanzien dat –ondanks al de moeite die zij zich getroost had- er nog steeds geen kind op haar Snoephuisje afkwam. Het was zelfs nog stiller dan gewoonlijk in haar tuintje. Speelde er normaal nog weleens een konijn, of kwam er een koolmeesje in de tuin fladderen van boom tot boom, nu waren er zelfs geen dieren.
“Het lijkt wel of ik met mijn moeite alles nog verergerd heb,” zei de Heks en zij staarde met een donkere blik in het vuur, “Hoewel ik niet begrijp hoe dat kan. Als ik de Heksenvaat doe, wordt alles toch schoner door de moeite die ik mij getroost? Hm, ik weet het eigenlijk niet zo goed, want ik doe de Heksenvaat nooit. Wij Heksen houden meer van vieze en stinkende spullen en om die te krijgen, hoef je helemaal geen moeite te doen. Dat gaat vanzelf.”
En omdat Heks Bebhînnh geen zin had om de hele avond in haar eentje naar het vuur te gaan zitten staren, deed zij haar mantel om en ging naar het dorp.

In de plaatselijke kroeg was het druk, warm en gezellig. De kroegbaas was een gezette veertiger, een zeer vriendelijk man die zijn pijpje pafte terwijl hij de glazen vulde. Een tengere jongen hielp hem en dat was maar goed ook, want de gasten ledigden hun glazen in rap tempo.
Houthakker Fürwerck zat er alleen aan een tafel. Toen Mevrouw Bebhînnh binnenkwam zag zij de man gelijk zitten. Ze vroeg of ze naast hem mocht plaatsnemen en hij stond dat toe. “Wat wilt u drinken, mevrouw?”, vroeg de tengere jongeman die al kwam aangelopen. “Och, doet u mij maar een eenvoudig brouwseltje van het huis. Zolang er maar gemalen kikkerpoten en gifkruid in zitten!” “Wablief?”, vroeg de jonge ober onthutst. “Hihihi! Een geintje, jongen, een geintje! Mag een mens zich tegenwoordig niet meer amuseren? Niet eens in de kroeg? Een witte wijn voor mij graag, en een droge, hoewel ik nooit snap hoe dat kan, want de wijn glijdt toch altijd NAT door mijn keeltje naar binnen! En geeft u deze meneer nog maar een biertje, want hij staat droog. Ziet u, op díe manier snap ik ‘droog’ weer wel, want zijn glas is leeg: er zit geen druppel meer in!”
De houthakker keek verontrust op, want hij dronk al op de pof en hij had eigenlijk niet nòg een biertje willen bestellen. Vrouw Bebhînnh zag het en legde haar hand op zijn arm: “Ik trakteer, lieverd. Neem het er maar eens van vanavond! Of wacht je vrouw thuis op je?” De houthakker schudde het hoofd: “Ik ben sinds kort weduwnaar.” “Ach gut, wat vreselijk,” zei de Heks gespeeld, “Kinderen?”, informeerde ze toen kort en zakelijk. “Twee,” antwoordde de houthakker.
En Wijf Bebhînnh wist het gelijk: hier zat ze goed. Ze kon zich wel indringen in het leven van die man, dan zou ze als een nieuwe moeder voor de kinderen worden: een stiefmoeder. Zo zou ze de macht over die kinderen krijgen en kon ze die eens lekker gaan pesten. De macht over de man had ze nu al, want de arme drommel had geen geld. En de Heks bezat rijkdommen zonder end.

 

Hoofdstuk 6: De boze stiefmoeder

Grietje werd wakker van gestommel in het voorhuis. Snel stapte ze uit haar bedje en deed een kamermanteltje om.
“Jij bent zeker Verdrietje!”, zei een vrouw die de papa van Grietje ondersteunen moest omdat hij te dronken was om zelf te lopen. “Grietje,” verbeterde het meisje de Heks. Hans was ook wakker geworden en hij liep snel op het tumult af. “Ah, daar hebben we Schrans ook!”, sneerde de schelle stem van de Heks kil en akelig door de hal. “Hans,” verbeterde de jongen haar. “Hm, zo dik ben je inderdaad niet,” zei de Heks, “Maar je eet toch te veel, dus vanaf morgen ga je aan de lijn!” “Wij hèbben helemaal geen eten meer! Hoe komt u er nu bij dat ik te veel eet?”, vroeg Hans. “Omdat alle kinderen dat doen. Veelvraten zijn het, lapzwansen en luiwammesen. Nietsnutten die nergens voor deugen en niet leren willen! En ze stinken onder hun oksels ook als je ze net gewassen hebt. Om over hun voeten nog maar te zwijgen!”
“Wie bent u eigenlijk? En wat komt u hier doen?”, vroeg Grietje, verbolgen naar de grond kijken.
“Oh, had ik dat nog niet verteld? Wat onachtzaam van me! Ik ben jullie nieuwe moeder. Jullie stiefmoeder. Maar jullie mogen mij gewoon mama noemen, hoor.” “Liever niet,” zei Hans, “Ik noem u wel stiefmoeder. En vindt papa het wel goed?” “Je bedoelt dit hondsvot hier dat ik mijn armen hou? Natuurlijk vindt hij het goed en als hij het niet goed zou vinden, dan deed dat eigenlijk helemaal niet ter zake. Ik kom hier eens even orde op zaken stellen. Zo, Verdrietje, ga jij nu maar eens naar de keuken en maak een lekker maaltje voor mij klaar.” “Maar het is midden in de nacht!”, riep Grietje uit, “En bovendien hebben wij helemaal niets meer in de voorraadkast.” “Werkelijk? Wel, dan moet Schrans maar uit stelen gaan, want zelf bezit ik ook geen rooie cent,” loog de steenrijke Heks.
“Ik heet HANS, niet Schrans en u deugt niet, dat had ik gelijk al gezien. U bent vast een Heks en u heeft natuurlijk het bier van mijn vader betoverd, zodat hij gedwee en mak als een lammetje is geworden en u in alles zal gehoorzamen ook als hij het er niet mee eens is!”
En zonder dat hij het zelf wist, had Hans de spijker op de kop geslagen, want de gemene Heks Bebhînnh had inderdaad Toverpoeder in het bier van houthakker Fürwerck gestrooid, zodat zij de arme man in haar macht zou krijgen.

 

Hoofdstuk 7: ‘Allemaal oprapen!’

Op een nacht, toen Hans niet slapen kon, wekte hij zijn lieve zusje Grietje.
“Grietje, word wakker! We moeten iets doen! Dat nare mens zet ons de hele dag aan het werk en zelf doet ze niets! Ze slaapt nu met papa in één bed en ik weet niet wat ze allemaal uitspookt!”
Grietje was gelijk klaarwakker en zei: “Ik weet het wèl! Elke avond gluur ik door een kier van de deur, en ik zie hoe zij een slaapdrankje voor papa bereidt. Maar ook zie ik dat zij er een wit poeder instrooit.”
“Dat gemene Mens! Dat is vast om papa suf en duf te maken en ervoor te zorgen dat hij steeds braaf doet wat zij zegt.”
Grietje begon te huilen en vertelde haar lieve broer: “Gisteren had ik de héle keuken gepoetst en ik had er echt mijn best op gedaan. Alles blonk en glom, lief broertje! Toen kwam die boze Bebhînnh en ze haalde een pot met gedroogde erwten uit de kast. Alle erwten gooide ze op de grond en ze zei: ‘Allemaal oprapen, stom kind!’
Ik graaide met mijn handen en nam zoveel mogelijk erwten in mijn handjes om ze terug te stoppen in de trommel. Toen zei ze: ‘Zo doen we dat niet, luiwammes. Een voor een!’
En ik moest al die honderden erwten een voor een oprapen, voor het eerste erwtje moest ik bukken, ik moest het oprapen en het in de trommel hoog in de kast stoppen. Toen moest ik opnieuw bukken voor het volgende erwtje en zo ben ik tot diep in de nacht bezig geweest.”
Hans sloeg zijn arm om zijn zusje heen en troostte haar.
“We moeten zien te ontsnáppen, dan kunnen we naar het dorp gaan en daar klampen we mensen aan en we vragen ze om hulp.”

En zo deden de kinderen het ook.

 

Hoofdstuk 8: De Betoverde Weg

De volgende nacht slopen de kinderen stiekem uit hun bedjes, ze deden hun jas aan en pas buiten hun schoenen. Anders zou die gemene Heks ze misschien hebben horen lopen. Buitengekomen haalden ze opgelucht adem. Toen ze eenmaal de straatweg bereikt hadden, begonnen ze te rénnen… zo snel als ze konden!

Wat ze niet zagen, was dat er een klein lampje ging branden in hun huis; ze werden nagestaard door Vrouw Bebhînnh. “Die domme kinderen!”, verzuchtte de Heks, “Dachten ze nou werkelijk dat ik ze zomaar zou laten gaan? Natuurlijk niet, al een week geleden heb ik Toverkruid over alle wegen in de buurt gestrooid en daardoor zullen ze nooit in het dorp aankomen. Want mijn Toverkruid leidt ze maar in één richting, namelijk die van mijn Snoephuisje diep in het bos! Zo komen daar dan ook eindelijk eens kindertjes, want snoep alleen voldeed niet. Het heeft me DERTIEN hele nachten gekost om dit Toverkruid te bereiden, maar ik weet wel zeker dat het uitstekend werkt. Kom, ik zal mijn mantel dan ook maar aantrekken. En ik neem mijn bezem, dan vlieg ik over de bomen van het bos naar mijn Snoephuisje. Op deze manier ben ik er eerder dan zij, ik zal ze daar wel opwachten.”

Hans en Grietje waren al niet meer zo blij en vrolijk als eerst.
“Is dit nu wel ECHT de weg naar het dorp?”, vroeg Grietje aan haar broer, “Volgens mij zijn we hier NET OOK AL voorbijgekomen!”
“Ik weet het niet, Griet,” zuchtte Hans droef, “Ik dacht toch echt dat deze weg naar het dorp leidde!”
“Nou, jij weet het niet en ik weet het al HELEMAAL NIET! Jongens hebben toch een beter richtingsgevoel dan meisjes, of niet soms?”
Hansje knikte, droef.
“Wel, jij bakt er anders helemaal NIETS van.”
En Grietje begon te huilen.
“Niet huilen, zusje,” zei Hans, “Anders moet ik ook huilen. We mogen de moed niet verliezen, begrijp je dat niet? Als we allebei gaan zitten grienen, dan worden we misschien wel opgegeten door boze wolven of andere wilde dieren! De weg naar het dorp zullen we dan zéker niet vinden.”
“Goed dan,” zei Grietje en ze droogde haar tranen, “Als jíj dapper wilt zijn, dan ben ik het ook!”
“Heel goed, lieve zus,” zei Hans, “SAMEN moeten we de moed erin houden!”
En hij omhelsde zijn zusje en gaf haar een zoen.
“Ik heb een idee!”, zo zei Hans toen, “Als deze straatweg niet naar het DORP leidt, dan gaan we gewoon door het bos! Als we het bos doorkruisen dan komen we in ieder geval bij het vólgende dorp uit!”
“Hm,” zei Grietje, “Het bos is groot en uitgestrekt! Hoe kunnen wij er ooit doorheen komen?”
“We proberen het gewoon,” zei Hans.

En de beide lieve kinderen liepen voort en voort. Ze liepen zoals ze nog NOOIT hadden gelopen. Moe werden ze, oh… héél moe! Maar Hans zei iedere keer dat ze DOOR moesten lopen.
Ze liepen en liepen, tot ze bij een vriendelijk verlicht huisje kwamen.
“Ooooooh!”, zei Grietje, “Wat een lief huisje! Allemaal lampjes en dat midden in de nacht!!! Laten we daar aanbellen, alsjeblieft!”
Hans aarzelde. Hoewel ook hij heel veel zin had om tot rust te komen in een huisje dat zo vriendelijk scheen, had hij toch ook argwaan. “Ik weet het niet, zus,” zei hij, “Het huisje ziet er wel lief uit, en het is verlicht door allemaal Sprookjeslampjes, maar ik voel mij toch niet zo zeker. Misschien woont er wel een gemene Heks!”
“Ach wat,” zei Grietje die doodmoe en uitgehongerd was, “Een Heks kan toch niet in zo’n lief huisje wonen? Nee Hans, nu sla je de plank mis! We gaan gewoon aanbellen en als er geen bel is, dan kloppen we op de deur.”
“Voorzichtig, lief zusje, ik speur ONRAAD. Ik voel dat het niet pluis is. Kom, laten we omkeren, en teruggaan naar huis!”
Grietje zuchtte en zei: “Goed dan, maar alleen omdat jij mijn oudere en wijzere broer bent en ik van je houd.”

De kinderen keerden om, maar ze kwamen op een weg terecht die op de een of andere wonderbaarlijke manier weer precies uitkwam op de hoofdweg. En de hoofdweg… die leidde de kindertjes opnieuw naar het Sprookjesachtig verlichte huisje.
Nu werd ook Grietje bang. “Het lijkt wel of het behekst is hier! Welke kant wij ook oplopen, wij komen steeds weer bij dit lieve huisje uit.”
“Ik geloof niet dat het zo’n lief huisje is,” zei Hans.
“Oh maar Hans!”, riep Grietje in enen verrukt uit, “Kijk eens waar het huisje van gemaakt is! Het is van snoep en koek, ik zie kazen en worsten die hier net neergezet lijken te zijn. Ik zie kokoskoeken en pannenkoeken, ze lijken versgebakken! Laten wij toch alsjeblieft aankloppen!”
“Eerst eten, dan aankloppen,” zo sprak Hans.

En de beide kinderen deden zich tegoed aan al het lekkers rond en op het Snoephuisje.

 

Hoofdstuk 9: ‘Knibbel, knabbel, knuisje…’

Opeens hoorden zij een krakend geluid, de deur van het huisje ging open, maar slechts op een kier, en een stem zei, náár en akelig:
“Knibbel knabbel knuisje… wie snoept er van mijn huisje?”
De deur ging weer dicht en Hans zei snel:
“Oh, dat was de wind! En verder ziet u hier geen kind!”
Dat was heel SLIM bedoeld van Hansje, maar het pakte niet zo goed uit!
Want de Heks die daarbinnen woonde, kreeg gelijk argwaan. “Kinderen?”, zo schoot het door haar heen, “HA! Heb ik soms Hans en Grietje al te pakken?”

En opnieuw zei de Heks:
“Knibbel knabbel knuisje, wie eet daar toch van mijn huisje?”
“Oh, dat zijn de vogels,” zei Grietje nu.
“Vogels?”, snerpte de akelige stem van de Heks door de kille nacht, “Ik geloof er niets van, dit riekt naar BEDRIEGERIJ!”
“En U, en U…” stamelde Hans, “U riekt naar HEKSERIJ!!!!”
“Oh, jij hebt mij door, maar wacht eens even, ik ben je STIEFMOEDER, hoor!”

“Snel, Griet, WEG van hier!”, riep Hans, en de beide kinderen renden zo hard als ze konden van het erf weg.
Maar de boze stiefmoeder die de Heks was sprak tot haar kraai en zei: “Kraai, geef die kindjes een OPLAWAAI!”
En Vileino de Kraai vloog achter de kinderen aan en pikte ze waar hij hen maar raken kon.
“Au, au!”, riep Hans, terwijl hij zich probeerde te verweren tegen de gemene vogel die boven hem vloog, “Hou op, hou op! Ik heb jou toch ook niets misdaan?”

“Wat maakt dat nou uit?”, kraste de kraai, “Dat doet toch helemaal niet ter zake? Als ik zin heb om jou pijn te doen, dan doe ik dat gewoon! En als de Heks –mijn Heerseres en Meesteres- mij bovendien BEVEELT om jou pijn te doen, wel… dan is het mijn heilige plicht!”

En hoe de kinderen ook vochten en streden, ze werden zó hard gepikt door de gemene kraai, dat ze op de grond vielen en niet meer konden opstaan.
“Ts ts,” sprak Wijf Bebhînnh, de gemene Heks die naderbij was gekomen, “Is dat nu een manier om je mama te begroeten?”
“U bent mijn mama niet!”, huilde Griet.
“U bent een misdadigster en u verdient geen tweede kans!”, riep Hans.

“Hahaha,” en “Hihihi,” lachte de Heks boosaardig en snood, “Wat ik wel of niet verdien, maakt toch helemaal niet uit! Ik heb de MACHT en jullie niet, dus jullie gaan mooi doen wat ik je zeg!”

En zo kwam het, dat Grietje de keuken van het Snoephuisje moest oppoetsen tot die blits en blinkend zag, en dat de Heks erna niet honderden, maar DUIZENDEN gedroogde erwten op de keukenvloer strooide en dat onze arme Griet ze wederom een voor een moest oprapen.

Hans moest al het snoep van het dak halen en het aan de Heks geven, zodat die het allemaal kon opvreten. Bovendien moest hij haar voeten masseren, hetgeen hem de uitspraak ontlokte: “En u zei dat ONZE voetjes stonken? Wel, vergeleken bij de Heksengeur die uw voeten verspreiden stelt dat toch niks voor!”
En omdat Hans steeds flauwviel van de vréselijke en weerzinwekkende stank van de voeten van de Heks drukte zij een wasknijper op zijn neus, zodat hij nu dan toch eindelijk eens haar voeten kon masseren!

De kinderen waren ten einde raad en toen zij op een nacht niet konden slapen zei Griet tot Hans: “Nu zijn wij in een ander huis, maar net zo ongelukkig als eerst! Het dorp hebben wij niet bereikt, wij moeten terug naar het huis van ons vadertje! Als hij weer sterk een krachtig wordt, dan zal hij die Heks de deur wijzen!”
“Maar hoe komen wij daar?”, vroeg Hans, “Die gemene stiefmoeder van ons betovert immers alles! Zo is het voor ons onmogelijk om de weg waarnaartoe dan ook te vinden!”

Grietje knikte en zei: “We moeten vertrouwen. We bidden tot God en we vragen of Hij ons helpen wil.”
Hans knikte, maar zijn jongensgezicht was vol van denkrimpels en zorgen.

 

Hoofdstuk 10: Vader Fürwerck

Vader Fürwerck had lang geslapen en zich afgevraagd waar zijn kinderen waren en zijn nieuwe vrouw. Hij vond niemand en hij dacht na. Had hij deze nieuwe vrouw bemind, of had zij hem een loer gedraaid en hem betoverd? Was zij soms een laaghartige Heks?
Hij meende van wel, want hij was somber en het was hem droef te moede maar hij wist zeker dat hij alleen maar van zijn eerste vrouw en zijn kinderen hield. En zijn echte vrouw was overleden, maar waar waren zijn kinderen nu?

De vader ontwaakte langzaam uit de betovering.
Waar waren zijn kinderen?
Hoe had het kunnen gebeuren dat hij ze uit het oog had verloren? Het was dat Kreng, die vuile Heks: zij had hem betoverd, hij wist het zeker. Ja… oh ja, hij was somber geweest toen zijn lieve echtgenote ziek was geworden en was overleden. En oh ja, hij was naar het dorp gegaan en had de kroeg opgezocht om er een paar biertjes te veel te drinken. Maar zijn kinderen? Zijn kinderen zou hij NOOIT zijn vergeten, dat was onmogelijk! Hij herinnerde zich wel die Vrouw die bij hem was komen zitten in de kroeg, en die op hem had ingepraat, en nare dingen had gezegd. Zoals ‘Die kinderen van jou zijn toch nergens goed voor’ en ‘Ze deugen niet, die Hans en Grietje, beter kon je ze het bos insturen en ze daar achterlaten, dan had je verder geen last van ze!”
Zijn kinderen het bos insturen? Met het risico dat ze daar opgegeten zouden worden door wolven of andere wilde dieren? Nooit van zijn leven! Dat zou hij nooit toestaan, tenzij de een of andere vuile Heks hem ertoe dwong!

En de vader ging op zoek, ze waren vast het dorp ingegaan, op zoek naar hulp, die lieve kleintjes van hem.

Vader Fürwerck ging op pad en hij nam de weg naar het dorp.
Maar dit was dezelfde betoverde weg die Hans en Grietje hadden genomen, en daardoor werd ook vader Fürwerck naar het Snoephuisje in het bos toegetrokken.

 

Hoofdstuk 11: Tranen van Steen

Hans en Grietje konden niet slapen, de Heks had allemaal gemene plannen met ze en ze waren niet van plan dit nare Mens nog langer te gehoorzamen! Dus besloten ze te ontsnappen. Opnieuw. Ditmaal terug naar hun ouderlijk huis.
De maan scheen en het was nacht. Wijf Bebhînnh sliep zo vast dat nog geen kraaienkoor haar had kunnen wekken. Ze was moe van die twee kinderen, ze vond ze maar vervelend en ze had er meer last dan plezier van.
Dus snurkte de Heks luid en ook Vileino de Kraai bracht slechts slaperige kraaiengeluidjes voort…

De beide kinderen slopen intussen het erf af, en ze zochten de weg terug naar huis, maar het was moeilijk, het leek onmogelijk! Alle wegen waren betoverd door de Heks, dus zij kon slapen wat zij wilde, maar ze had de kinderen nog steeds in haar ban!

“Mammie,” huilde Grietje, “Ik wou dat mammie er nog was, ik mis haar zo.”
“Ik ook, lieve zus,” zei Hans, pogende dapper te wezen en zijn jonge zusje omarmend, “Maar huilen zal ons niet helpen. Droog je tranen, anders kan moedertje niet huilen.”
Grietje keek verbaasd naar haar broer op, en Hans was zelf ook verbaasd; hij had geen idee waarom hij die laatste woorden gesproken had.

Maar de HEERE HEERE in de hemel wel, Hij nam een Zijner hemelse lievelingen en sprak tot haar, zeggende de woorden: “Ga maar, kind, huil je tranen maar uit. Ween je leed er maar uit! Het zal je kinderen op aarde helpen.”

En Catharina, de moeder van Hans en Grietje, zag vanuit de hemel op haar kinderen toe, en zij weende zachte tranen van medelijden en moederlijke liefde die op de aarde op de woudgrond neder vielen.
“Kijk, Griet!”, riep Hans verrukt uit, “Een teken van God!”,
want de tranen van hun lieve moedertje in de hemel vielen op de bosgrond terneder en werden prachtige glanzend-witte keien, die de kinderen de weg terug naar het ouderlijk huis wezen.
“Oh, Hans! We redden het! Ik weet het zeker! We keren zo terug naar ons papa’s huis! Ik voel het gewoon, het kàn niet anders!”
En Hans probeerde uit alle macht zijn tranen te bedwingen, wat hem maar ternauwernood lukte.

 

Hoofdstuk 12: Het Weerzien!

Papa Fürwerck intussen was de betoverde weg opgewandeld en in plaats van naar het dorp te komen –zoals hij had gewild- liep hij het bos in.
“Toch is dit niet slecht,” zei hij tot zichzelf, “Ik heb het gevoel dat deze weg mij nader tot mijn kinderen brengt.”
En de houthakker liep dapper voort, hopende zijn lieve kindertjes ooit weer terug te zien.

Grietje was Hans al vooruitgesneld, want zij voelde dat haar papa in de buurt was. En halverwege die bosweg, die met geheel andere bedoelingen betoverde bosweg, vonden vader en kinderen elkander weder.

“Pappie!”, riep Grietje uit en zij vloog in de armen van haar vader.
“Och, kindje van me, mijn schatje, wat heb ik jou gemist!!! En mijn lieve Hans, mijn zoon, mijn alles! Gaat het jullie wel goed? Hebben jullie geen honger?”
Hans schudde heftig van nee, hij wilde alleen maar weer zijn papa omhelzen.

Heks Bebhînnh intussen was ontwaakt uit haar diepe Heksenslaap. Ze zag gelijk dat de kinderen ervandoor gegaan waren. “Ach wat, laat die suffe kinderen ook maar! Wat heb ik nu helemaal voor plezier van ze gehad? Ze hebben mijn hele keuken dertigduizend keer gepoetst. Eigenlijk zinde mij dat niet, want ik heb mijn Heksenkeukentje liever vies en smerig. Laat ze maar lopen, die suffe stoethaspels, ik slaap wel verder, ik heb genoeg van ze!”
De Heks wilde weer inslapen maar ze kreeg een idee. Want omdat ze ontzettend lang op haar luie Heksenrug in haar vieze stinkende Heksenbed had gelegen, had ze toch wel behoorlijk honger gekregen.
“Weet je wat?”, zo sprak ze even vilein als dommig tot zichzelve, “Ik ga gewoon wat van mijn eigen huisje snoepen!”
Zo deed Heks Bebhînnh het ook.

Ze vrat eerst haar brievenbus op, toen haar voordeur. Erna begon ze aan de ramen en toen klom ze op het dak. Alles was toch eetbaar, dus ze vrat alles maar op. Haar buik zwol en de Heks werd dikker en dikker.
“Oef,” dacht ze, “Ik moet ook niet te veel eten, straks ontplof ik nog!”
Maar omdat ze zo treurig en somber was, at ze maar door en door om haar verdriet te vergeten. Alles wat ze kon vinden, vrat de Heks op.
“Hèhè,” zuchtte ze na een wijle, “Nu is het toch echt tijd voor weer een Heksenslaapje.”
En ze ging in haar stinkende bed liggen en sloot haar ogen.

Het enige wat men toen nog hoorde was:

PANG!!!!!!!!!!!!!!!!!!!

Want de Heks ontplofte omdat zij veel te veel gegeten had.

Die knal was tot ver in de omtrek hoorbaar.

De vriendelijke kroegbaas pafte aan zijn pijpje en zei: “Er is vast onweer op komst, ik hoorde al een donderknal in de verte!”

Maar Hans zei: “Volgens mij is er zojuist een Heks ontploft!” En Grietje voegde hieraan toe: “Ze had vast te veel van haar eigen Snoephuisje gesnoept!”
Vader Fürwerck knikte, en zei: “Het zou zomaar kunnen dat jullie gelijk hebben, kinderen. En ach, de dood van een boze Heks… daar heeft de wereld niets aan verloren.”
“Nee!”, giechelde Grietje, “Maar wel wat aan gewonnen!!!”

Lachend sloten de drie elkaar in de armen. Ze gingen naar huis om te slapen, want ze waren erg moe.

— — —

De volgende dag kreeg houthakker Fürwerck bezoek van een bode van de burgemeester. Die wilde een nieuw huis laten bouwen en het gehele huis moest van HOUT zijn. Of vader Fürwerck misschien het hakwerk ervoor wilde verrichten?
Zo had de houthakker werk voor vele véle maanden en omdat hij zijn werk zo goed deed, kreeg hij erna weer nieuwe opdrachten.
Zo kwam het dan, lieve kinderen en lieve grote mensen, dat het drietal Fürwerck in vrede en geluk voortleefde. Ik mag jullie wel verklappen:

zij leefden nog

lang en

gelukkig!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!

 

EINDE!

 

Uitleg moeilijke woorden:

Argwaan is wantrouwen
Er niets van bakken is een uitdrukking, het betekent dat je iets totaal niet goed doet
Zich bekommeren om betekent zorgen voor, je bezighouden met, je druk maken om
‘Beminnen’ is een synoniem voor ‘houden van’
Dulden is toestaan
‘De kou werd immer erger’ betekent ‘De kou werd steeds erger’
Een kroeg is een café
‘Met lede ogen’ betekent ‘Met spijt en droefenis’
Nimmer is hetzelfde als nooit
Onaanzienlijk is klein en een beetje armoedig
Iemand opbeuren is iemand bemoedigen, opvrolijken
‘Op de pof’ betekent ‘op krediet’
Pogen is een synoniem van proberen
Rap is snel
Snood betekent gemeen en doortrapt
Een stoethaspel is iemand die alles fout doet, een kluns en een klungelaar, iemand die erg onhandig is
Tumult is lawaai, rumoer
De vaat is de afwas
Vilein betekent schurkachtig