De prinses en de kikker


Auteur: onbekend (volksvertelling)
Oorspronkelijke titel: De kikkerkoning
Alternatieve titel: IJzeren Hendrik
Oudste verwijzende bron: De Satyricon van Petronius
Voor het eerst opgetekend en bewerkt door: Wilhelm Grimm
Voor het eerst gepubliceerd door: De Gebroeders Grimm
Naverteld, bewerkt en gemoderniseerd door: Frederick Haverkate

Alle leeftijden
Genre: Sprookje
Emotionele Classificatie: romantisch
Copyright: deze hervertelling/bewerking/modernisering geniet auteursrechtelijke bescherming. Het copyright berust bij F. Haverkate/Nieuwe Sprookjes

Categorie:

Beschrijving

Hoofdstuk 1: Een prachtige prinses

Eens… lang geleden was er een prachtige prinses. Zij heette Sophie en zij was mooier dan al haar zussen: zij stráálde meer, zij had lang blond engelenhaar, een schattig wipneusje en een snoetje om te zoenen.
Hoewel de prinses dus heel mooi was… erg aardig was ze niet. Ze schold haar zussen vaak uit en soms moest ook haar vader het ontgelden, bijvoorbeeld wanneer ze te weinig duur speelgoed kreeg naar haar zin. Haar vader, de koning, hield veel van zijn mooie dochter, maar hij kon ook onverbiddelijk zijn, want hij was een rechtschapen man en een man van eer.

Al sinds haar twaalfde levensjaar droomde prinses Sophie ervan om met een knappe stoere prins te trouwen. Wie zou haar droomprins wel niet worden? Zij had al drie aanbidders: de goedlachse prins Vrolijk, de vechtlustige prins Stoer, en de wijze prins Bedachtzaam.
Ach, kon ze ze maar alle drie huwen! Dan kon ze profiteren van al de goede eigenschappen van die verschillende prinsen en pas dan zou ze zeker weten dat ze niets tekortkwam. Maar ze kon nu eenmaal maar één prins tot man nemen, dus moest ze kiezen.
En dat zou ze doen op haar achttiende verjaardag.

 

Hoofdstuk 2: De gouden toverbal

Toen zij achttien werd, kwamen al haar zussen haar feliciteren. Zij wekten haar heel vroeg en haalden haar uit bed. Allemaal hadden ze mooie cadeaus voor prinses Sophie. De een gaf haar een diadeem met diamantjes, de ander schonk haar een paard. Haar derde zus gaf haar honderd boeken in prachtband gebonden en haar vierde zus gaf haar tien jurken van de fijnste stof.
Prinses Sophie was erg blij met de mooie cadeaus en ze kleedde zich snel aan, want ze was benieuwd wat haar vader en moeder wel niet voor haar hadden. Een eigen kasteel misschien? Of een leger van duizend soldaten om haar altijd te beschermen? Of misschien een reis van drie jaar naar verre, exotische landen? Zij wist het niet en ze was erg nieuwsgierig.

Bij het ontbijt kwamen haar ouders op haar toe.
“Gefeliciteerd met je achttiende verjaardag, mijn lieve kind,” zei haar moeder en ze gaf haar dochter eerbiedig een kus op het voorhoofd.
“Gelukgewenst, mijn kind, je zet nu je eerste stap in volwassenheid,” zo sprak haar vader en ook hij kuste zijn dochter eerbiedig op het voorhoofd.

“Waar is mijn cadeau?”, riep prinses Sophie ongeduldig uit, “Of is het zo groot dat het niet door de voordeur paste? Moet ik soms naar buiten gaan om het te kunnen zien?”
De vader glimlachte naar zijn vrouw en hij zei: “Nee hoor, kind… ons cadeau aan jou is helemaal niet groot.” En van achter zijn rug haalde de koning een kleine gouden bal tevoorschijn. Die gaf hij zijn dochter.
Die keek vol afgrijzen naar de bal: “Is dat alles? Een bal van goud? Ik had toch echt iets GROTERS verwacht!”
“Het is niet zomaar een bal,” zei haar vader, “Het is een toverbal. De bal zal je met raad en daad bijstaan wanneer je zorgen en problemen hebt, hij zal je vertellen welke weg je moet volgen om gelukkig te worden. Het is het kostbaarste wat we konden bedenken.”
Prinses Sophie aarzelde, ze had de gouden bal nu in haar handen, maar ze had hem het liefst gelijk weggesmeten, want het cadeau was haar veel te onooglijk en te klein. Maar haar vader zei dat het een toverbal was, dus ze kon hem maar beter goed bewaren.
“Mag ik er wel mee spelen?”, vroeg ze aan haar vader.
Die knikte.
“Goed, dan gaan we overgooien!”, riep prinses Sophie naar haar zussen en het hele stel rende gelijk naar buiten, de tuin in.

 

Hoofdstuk 3: Overgooien

Het werd een dolle boel daar in de koninklijke tuin. De prinsessen lachten en stoeiden en ze gooiden de gouden toverbal naar elkaar over. Toch had prinses Sophie nog steeds een hekel aan dit cadeau. Wanneer haar zussen haar veel grotere en belangrijkere dingen gaven, waarom moesten haar ouders dan achterblijven? En een tóverbal? Poeh, daar geloofde ze niks van.
Ze ving de bal op en gooide hem naar haar zusje Andrea. Maar ze gooide veel te hard en de bal vloog over het hoofd van Andrea heen en kwam in de vijver terecht.
“Kijk nu eens wat je hebt gedaan, jij stomme zus!”, voer prinses Sophie uit tegen Andrea, “Had je hem niet kunnen vangen? Wat moet ik nu tegen papa en mama zeggen? Dat ik het cadeau dat zij mij gaven voor mijn achttiende verjaardag nog op dezelfde ochtend ben kwijtgeraakt?”
En huilend ging prinses Sophie in het gras zitten.
“Niet treuren zusje,” zei Andrea, “Ik trek mijn schoenen wel uit en dan waad ik door de vijver. Dan vind ik hem misschien.”
Zo deed de lieve Andrea het ook, maar vinden deed ze niks.
Hun moeder riep ze voor de lunch en de meisjes begaven zich terug naar het kasteel. Maar prinses Sophie bleef alleen in het gras zitten, want ze durfde haar ouders niet onder ogen te komen.

 

Hoofdstuk 4: De kikker

Tegen het vallen van de avond zat prinses Sophie nog steeds in de tuin. Droevig staarde ze in de vijver, haar gouden toverbal zou ze wel nooit weerom vinden. Met haar fijne handjes had ze de hele middag door het water van de vijver gewoeld en met haar ogen had ze zo diep in het water gespeurd als ze maar kon. Maar het water was te troebel om doorheen te kunnen kijken en gevoeld had ze de bal niet.
Met een zucht stond ze op, ze kon beter terug naar het kasteel gaan, anders zouden haar ouders ongerust worden. Het was al erg genoeg dat die stomme zus van haar de bal niet had gevangen, zodat zij hem nu kwijt was. Maar dat zou ze duidelijk tegen haar ouders vertellen, hoor! Dat het allemaal de schuld van Andrea was en niet van haar!
Langzaam liep ze terug naar het kasteel; ze keek nog één keer om en toen hoorde ze ‘KWAAK!’. Wat was dat nu? Ze zag een groene kikker met de gouden bal op zijn hoofd.
“Heb ik voor je opgevist!”, kwaakte de kikker, “Ik had gelijk al in de gaten dat hij belangrijk voor je was!”
“Oh wat geweldig!”, juichte prinses Sophie, “Wat lief van je, kikker! Hoe kan ik je bedanken?”
“Door mij een kusje te geven,” zei de kikker eenvoudig.
“Bwèèèèèh,” zei prinses Sophie met walging in haar stem, “Ik ga toch niet zo’n enge, slijmerige kikker kussen!”
“Oh, nu ben ik ineens eng en slijmerig,” zei de kikker, verbolgen naar de grond kijkend, “Net was ik nog geweldig en lief!”
“Ja, maar dat was omdat je mijn gouden bal uit het water had opgevist.”
“Dat heb ik anders nu nog steeds, hoor! Of zal ik hem weer teruggooien?”
“Als je dat maar uit je hoofd laat,” riep de prinses en ze snelde op de kikker toe. Maar die nam de gouden bal van zijn hoofd en hield hem stevig onder zijn armen vast.
“Geef hier die bal, hij is van mij!”, gilde de prinses en ze trok en rukte uit alle macht aan de bal. Maar de kikker hield de toverbal stevig vast.
“Je krijgt hem pas als je mij een kusje geeft,” zei de kikker.
Met een zucht ging prinses Sophie op de grond zitten.
“Ik kan jou toch niet kussen, kikker? Ook al was je aardig voor mij. Ik moet nadenken of ik prins Vrolijk, prins Stoer of prins Bedachtzaam wil huwen. En een van die knappe prinsen zal ik kussen. Maar toch niet een kikker!”
“Ik ben anders ook een prins, hoor!”, kwaakte de kikker boos.
“Ha ha há!”, lachte de prinses hem openlijk in zijn kikkergezichtje uit, “Jij een prins? Eerder een opschepper en een leugenaar!”
De kikker plengde een traantje, maar dat viel niet zo erg op want hij was al nat van zichzelf.
“Je moet niet steeds op het uiterlijk afgaan, prinsesje! Ik heb toch een goed karakter? Je gouden bal heb ik gered. Hier, je mag hem hebben!” En de kikker overhandigde de bal aan de prinses.
Die keek een beetje beschroomd naar de grond. Beiden zwegen ze even.
Toen zei de kikker: “Als je mij dan geen kusje wilt geven, dan moet je mij toestaan van je gouden bordje te eten. Vanavond bij het diner!”
“Goed dan, ik beloof het,” zei de prinses en ze rende terug naar huis. De gouden toverbal hield zij stevig onder haar arm geklemd.

 

Hoofdstuk 5: Eten van een gouden bordje

Die avond zat de hele koninklijke familie aan het diner. De lange tafel was rijkelijk gedekt en de meest prachtige kroonluchters verlichtten de zaal. Iedereen had een gouden bordje voor zich met daarop de heerlijkste spijzen.
De koning en de koningin dronken wijn uit fonkelende glazen en de prinsessen dronken de verrukkelijkste limonade uit glazen van kristal.
Plotseling werd er op de deur geklopt.
“Prinsesje, prinsesje… doe open! Je laat mij toch wel binnen, mag ik hopen?
Ik mocht van jouw gouden bordje eten! Dat heb je beloofd, je bent het toch niet vergeten?”
De koning keek vragend op naar zijn dochter.
“Ach pap, het is niks. Één moment…”, zei de prinses en ze stond fluks op en begaf zich naar de deur.
Achter de deur zat de groene kikker.
“Beloofd is beloofd,” zei het groene beest.
“Ben jij nou helemaal besodemieterd?”, zei prinses Sophie rood van kwaadheid en ze wilde de kikker een schop geven.
“Doe dat toch niet, ik doe jou toch ook geen kwaad?”
“Nee, maar je komt hier wel zomaar binnen en verwacht dat je van mijn gouden bordje mag eten!”, riep de prinses nog rood van toorn uit.
“Dat heb je me zèlf beloofd,” zei de kikker en hij moest alweer een traantje plengen.
“Ach, beloofd, beloofd… Dat zijn toch geen echte beloftes? Dat zijn gewoon van die dingen die je zegt, voor je fatsoen en zodat de mensen je aardig vinden…” zei de prinses.
“Is een belofte geen belofte?”, hoorde prinses Sophie eensklaps een zware, strenge stem achter zich. Het was haar vader, die ook van tafel opgestaan was.
“Wel, ach…”, stotterde de prinses.
“Heb jij die kikker beloofd dat hij van jouw gouden bordje mocht eten, ja of nee?”, vroeg haar vader gestreng.
Prinses Sophie boog het hoofd. “Ja,” zei ze toen.
“Welaan dan, dan moet je je belofte ook nakomen. Komt u verder, meneer de kikker,” zei de koning en hij noodde de kikker met een weids gebaar binnen.

De kikker hupte vlot en vrolijk achter Sophietje aan, sprong op tafel en begon gulzig smakkend van haar bordje te eten.
“Mmm, lekker zeg! Dat eet je in de vijver niet zo gauw! Het duurt altijd uren voor ik een maaltje bij elkaar heb. Soms ben ik er de hele dag mee bezig! Mmmm, heerlijk hoor! Mjam, mjam, smak, smak.”
Prinses Sophie keek naar de kikker en hoewel ze eigenlijk nog boos op hem was, moest ze toch ook om hem lachen. Hij zat daar zo gezellig en lief, net alsof hij bij haar hoorde.

 

Hoofdstuk 6: Drinken uit een gouden bekertje

De kikker zag wel dat de prinses iets vriendelijker naar hem begon te kijken en dat stemde hem zeer tevreden.
“Wil je me nú dan misschien een kusje geven?”, kwaakte hij zo innemend en hoffelijk als hij maar kon, “Als je mij durft te kussen, zul je zien dat ik eigenlijk een prins ben.”
De prinses keek de kikker aan, ze was een beetje van haar stuk gebracht. De kikker sprak zo lief en vriendelijk en wanneer ze in zijn ogen keek, dan werd ze helemaal week om haar hart. Zou die kikker dan werkelijk een…
Nee, dat kon niet. Er woonde wel een nare Heks in het woud, maar niemand had ooit gehoord dat die prinsen in kikkers veranderde.
“Mensen kussen nu eenmaal geen kikkers,” zei ze toen, “Maar hier: je mag wel uit mijn gouden bekertje drinken.”
De kikkers was allang tevreê, en gulzig slurpte hij haar bekertje precies tot de helft leeg. “Mmmm, heerlijk: zoete frambozenlimonade. De rest is voor jou.”

De koning en de koningin hadden alles gadegeslagen en ze keken elkaar veelbetekenend aan.

 

Hoofdstuk 7: Slapen in een prinsessen-bedje

Het feestmaal was ten einde en de koninklijke familie wilde zich ter ruste begeven. De kikker droop zielig af.
“Eigenlijk had ik in jouw bedje willen slapen, prinsesje van me! Maar dat zal natuurlijk ook wel niet mogen,” zei hij met een pruilend kikkermondje.
Niemand hoorde wat de kikker zei, iedereen was voldaan na de copieuze maaltijd en lichtelijk beneveld door de wijn. De prinsessen hadden zoveel limonade gedronken dat ze ook een beetje sloom en vaag waren geworden. Allen hadden maar één wens: hun ledikantje op te zoeken.

Toch had één iemand de woorden van ons kikkertje gehoord, en dat was de mooie prinses Sophie.
Ze knielde op de grond neder en zei tegen het kikkertje: “Meen jij nu werkelijk dat jij een prins bent? Zou jij in mijn bedje willen slapen en wensen dat ik je kus? Wil jij soms mijn echtgenoot worden?”
“Oh ja, dat wil ik,” kwaakte de kikker vreugdevol en hij klapte zijn voorpoten tegen elkaar, alsof hij een applausje wilde geven voor de woorden van de prinses.
“Maar dat kàn toch niet,” zei de prinses, “Jij bent nu eenmaal een kikker en ik een prinses. Ook al lijd je misschien aan grootheidswaan, dat verandert de feiten nog niet!”
“Ik lijd helemaal niet aan grootheidswaan,” zei de kikker boos, “Ik denk eerder dat jij eraan lijdt. Je bent zo arrogant en zo vol van jezelf! Ik begrijp niet dat ik vroeger verliefd op je ben geworden.”
“Vroeger?”, informeerde de prinses.
“Ja, vroeger, ja! Toen ik nog prins was en nog niet betoverd door die nare Heks! IJzeren Hendrik –onze koetsier- reed mij op een keer door het bos en jij reed in een koets met je vader in de tegengestelde richting. Ik zag je mooie hoofdje en ik was op slag verliefd op je. Maar wij kregen een ongeluk: een wiel raakte van de wagen af en de paarden vielen om van schrik. Terwijl IJzeren Hendrik probeerde de paarden te kalmeren en het wiel weer aan de wagen te bevestigen, kwam die nare boze Heks op mij af en die veranderde mij in een kikker. Niet dat ik iets tegen kikkers heb, hoor, maar het valt toch wel behoorlijk tegen als je eerst Mens was!”
De prinses staarde lang in de vriendelijke ogen van de kikker, ze voelde zich vreemd en apart, ze wist echt niet wat ze van dit alles denken moest.

“Kom maar met mij mee,” zei ze toen, “Je mag in mijn bedje slapen.”
“Oh echt? Meen je dat werkelijk? Wat ben je lief ineens! Geloof je me soms?”
“Ik weet echt niet meer wat ik geloven moet,” zei prinses Sophie en samen met haar kikkertje beklom ze de trap naar haar slaapvertrek. De anderen verkeerden reeds in diepe rust.

 

Hoofdstuk 8: Een echte prins?

In het slaapvertrek van prinses Sophie was alles kalm en stil. De prinses trok zich terug in haar boudoir en maakte zich klaar voor de nacht. Het kikkertje wachtte bedeesd op een stoel naast haar bed.
Toen de prinses klaar was en haar feestelijke jurk had verruild voor een heel lief nachtjaponnetje, betrad zij haar slaapkamer weer.
De kikker keek naar haar op: “Dank je wel dat ik bij je mag slapen, lieve prinses. Het is een hele eer. Temeer daar ik zo klein ben.”
Prinses Sophie pakte de kikker op en zette hem in haar bed. “Ik weet niet of je zo klein bent,” zei ze toen bedachtzaam. Even wachtte ze en toen vroeg ze de kikker: “Ben je echt een prins?”
“Ik ben echt een prins. Maar ik kan pas weer prins worden als een prinses die van mij houdt mij kust.”
Nu was de kikker even stil, erna vroeg hij: “Houd je van mij?”
Bruusk sloeg de prinses de dekens weg: “Houd je van mij, houd je van mij? Hoe kan ik dat nu weten? Jij bent een kikker, was je dat soms vergeten?”
“Kijk toch niet steeds zo naar mijn uiterlijk, ik weet heus wel dat ik een kikker ben. Maar daarom kun je toch wel van mij houden?”
En de kikker plengde opnieuw enkele traantjes, die nu zichtbaar werden omdat hij in een koninklijk bedje lag.
“Huil je?”, vroeg de prinses.
“Ja, ik huil ja, als je dat zo nodig moet weten. Het doet mij verdriet dat ik zielsveel van jou houd en jij niet van mij!!!”

Prinses Sophie keek de kikker in zijn mooie, vriendelijke ogen; lang staarde zij in zijn kikkerogen en het was net of ze de knapste prins zag, de stoerste, de vrolijkste en de meest wijze die er op de hele wereld bestond.
Toen brak er iets in de wondermooie jonge vrouw. Ze begon te huilen en te schreien, ze riep: “Ja, ik houd van je, maar ik wilde het niet, ik kòn het niet, want ik wilde niet voor gek staan! Welke prinses houdt er nu van een kikker?”
“Maar ik ben toch geen kikker,” probeerde de prins nog zachtjes.
“Ach, wat kan het me ook allemaal schelen ook!”, riep de prinses hartstochtelijk uit, “Voor mijn part bèn je een kikker, het maakt me helemaal niets meer uit! Ik houd van je, ik vind je stoer en lief. Vooruit dan… desnoods trouw ik maar met een kikker!”

En de prinses boog zich voorover naar het kikkertje en kuste hem langdurig op de natte mond.

Doordat de prinses de kikker kuste, maar ook doordat zij van haar prins hield ongeacht hoe hij eruitzag, werd de gemene Tovervloek van de Heks verbroken. Tegen zoveel liefde kon zelfs de gemene Heks niet op.
Prinses Sophie trok haar zoete meisjeslippen weg van de mond van de kikker en zij keek op………………

Voor haar stond de knapste en stoerste prins die zij ooit gezien had.
“Dank je dat je me eindelijk gekust heb,” zei de prins, “Ik ben prins Florian, de erfgenaam van de Van Hoogenstraetens en de bezitter van vele landgoederen.”
“Och, lieve prins van me, wat ben ik blij dat ik je heb vertrouwd!”, riep prinses Sophie uit, “Kijk nu toch hoe dapper en manlijk je bent, hoe knap en fier!”
De prinses slikte even en toen vroeg ze voorzichtig: “Vind je mij ook wel mooi?”
De prins lachte zijn hagelwitte tanden bloot, hij nam zijn liefje in de armen en tilde haar hóóg op in de lucht: “Waarom denk je dat ik zo vasthoudend was als kikker? Echt niet omdat ik je lelijk vond!”
Opgelucht haalde prinses Sophie adem, toen zei ze zachtjes: “Ik ben van je gaan houden toen je nog een kikker was… dat betekent wel dat ik ècht van je houd, nietwaar?”
Nu haalde prins Florian opgelucht adem: “Ja mijn schat, dat betekent het.”

En weldra vierden de twee hun bruiloft.
De vader van de bruid keek zijn eega veelbetekenend aan: “Zo zie je maar weer: beloftes moet je nooit verbreken.”
“Nee,” zo sprak zijn echtgenote, “En mensen moet je ook niet op hun uiterlijk beoordelen.”

Prinses Sophie en prins Florian kregen een dochter en twee zonen, zij volgden altijd de wijze raad en het goede advies van de gouden toverbal op en

zij leefden nog lang en gelukkig!

 

EINDE!

 

Uitleg moeilijke woorden:

Arrogant betekent dat je jezelf beter vindt dan een ander
Bedeesd is stilletjes en een beetje verlegen
Beschroomd betekent dat je je schaamt
Een boudoir is een privévertrek voor een (jonge)dame, een rustig plekje waar zij tot zichzelf kan komen en zich op kan maken
Bruusk (wanneer iemand iets zegt): kortaf en niet vriendelijk. Bruusk (van een handeling, wanneer iemand iets doet): plotseling, abrupt, op een manier die duidelijk maakt dat degene die iets bruusks doet, ontevreden is of zich onprettig voelt
Copieus is overvloedig, overdadig
Een diadeem is een haarband die op dezelfde manier versierd is als een kroon: met diamanten en andere edelstenen
Eega is degene met wie je getrouwd bent, dit kan de echtgenote (de vrouw) maar ook de echtgenoot (de man) zijn
Fluks is vlot, snel
Fonkelen is schitteren
Gadegeslagen komt van het werkwoord gadeslaan, dat betekent zien, bekijken, betrachten, beschouwen
Gestreng is Oudnederlands voor streng
Hoffelijk is hetzelfde als beleefd
Innemend is een synoniem van vriendelijk
Een kroonluchter is een grote, schitterende, aan het plafond hangende lamp met veel lichtjes
Ledikant is Oudnederlands voor bed
Neder is poëtisch Nederlands voor neer
Onooglijk is iets wat er niet uitziet en bovendien klein is
Onverbiddelijk betekent dat je geen tegenspraak duldt
Een opschepper of opsnijder is iemand die hoog opgeeft van zijn eigen kunnen op een manier die anderen tegen de borst stuit
Pruilen betekent met je gezicht laten merken dat je het er niet mee eens bent, zonder daadwerkelijk te gaan huilen of boos te worden
Rechtschapen wordt gezegd van iemand die goed en eerlijk is
Reeds is een synoniem van al
Snoetje betekent gezichtje
Spijzen is het meervoud van spijs. Een spijs is een gerecht om te eten.
Tevreê is poëtisch Nederlands voor tevreden
Toorn is hetzelfde als woede
Een traantje plengen betekent een beetje huilen
Troebel is niet helder; troebel water is water waar je niet doorheen kunt kijken
Verbolgen betekent dat je boos bent omdat je je beledigd voelt
Walging betekent sterke afkeer; ergens van walgen is zo’n sterke afkeer van iets hebben dat je er misselijk van zou kunnen worden
Woud is een synoniem voor bos