Beowulf en het monster Grendel


Auteur: ‘De Beowulf-poëet’ (geen exacte naam bekend)
Naverteld, bewerkt en gemoderniseerd door: Frederick Haverkate

Vanaf 15 jaar
Genre: Dark Fantasy
Bevat grof taalgebruik
Emotionele Classificatie: spannend, gewelddadig
Copyright: deze hervertelling/bewerking/modernisering geniet auteursrechtelijke bescherming. Het copyright berust bij F. Haverkate/Nieuwe Sprookjes

Categorie:

Beschrijving

Hoofdstuk 1: De Schepping

In het woeste en rauwe begin van de aarde was er geen Mens, maar waren er slechts dieren, bossen, rotsen, zeeën en zand. De Goddelijke Hand daalde neer uit de hemel en nam een handvol stof. Hij blies tegen het stof waardoor het wèg- en ópstoof, begoten werd door regen en nederdaalde op de aarde in de vorm van een Mens. Dit was Adam, de eerste Mens.

Adam had het koud, hij woonde in een hol en ketste keien net zolang tegen elkaar tot hij vuur kreeg. Hij had dit slechts uit verveling gedaan, maar prees zich gelukkig met het resultaat. Hij maakte een vuurtje, doodde een ree en bereidde het vlees boven het vuur. Erna werd hij overmand door slaap.
In de nacht kwam God tot hem en hij reet Adams lichaam open, hij nam een rib en schiep hier een tweede Mens mee: Eva. De vrouw. De rib deed God terug in Adams lichaam en hij spande zijn huid weer over zijn ingewanden.

 

Hoofdstuk 2: De Slang

Adam en Eva waren gelukkig, de wereld was een paradijs voor hen. God stond ze alles toe, zolang ze maar niet wijzer wilden worden dan Hij.
Op een zekere morgen, waarin de zon achter mysterieuze wolken schuilging, ontmoette Eva een slang in het paradijs, die een gesprek met haar aanknoopte.

“Waarom zou je niet wijzer willen worden dan God? Ben je soms bang?”
Eva knikte, schuchter.
“Ik wist het wel, je bent een schijtluis. Ach wat, kom op… je hoeft alleen maar mij te aaien en dan weet je al meer dan God. Je moet mij even vóelen, mijn huid is glad, hij zal je geen pijn doen.”
Eva aarzelde, ze keek om of ze haar man zag. Die was er niet en ze besloot de slang te aaien. De slang reageerde onmiddellijk; hij vrat haar op en braakte haar weer uit.
Eva stond als herboren op aarde, maar herboren met de kennis van goed en kwaad. Ze was zich bewust geworden van alles wat mogelijk was, goed zowel als slecht en ze schrok zich dood dat ze naakt was. Snel pakte ze bladeren om haar lichaam mee te bedekken.

 

Hoofdstuk: 3 Kaïn en Abel

Eva raakte zwanger en baarde een zoon: Kaïn. Het was een ongemakkelijk kind, dat reeds als baby haat in de ogen had. Toen Kaïn opgroeide sloeg hij zijn moeder, wanneer zij hem eens ongelijk gaf.
Daarom wilden Adam en Eva een tweede kind, dit was ook een jongen en zij noemden hem Abel. Abel was vriendelijk en gezeglijk, zo geheel anders dan zijn oudere broer.

Op een dag wilden de beide broers God behagen. Kaïn maakte van hout en steen een prachtig huis, een tempel gelijk. Maar God zond een onweer naar de aarde en het huis stortte nog diezelfde dag in.
Abel had een gedicht geschreven waarin hij God prees en lof zong en hij droeg het luidop voor. De lucht klaarde onmiddellijk op en de zon begon te stralen.

Kaïn voelde zich vernederd, gekrenkt tot in het diepst van zijn wezen en hij haatte God. Maar omdat hij dat niet durfde zeggen en eigenlijk niet eens durfde voelen, ging hij Abel het leven onmogelijk maken. Abel ontweek zijn broer zodat hij weinig last van diens getreiter had.
Hierdoor werd Kaïn zo boos, dat hij een van de stenen van zijn verwoeste huis nam en wachtte tot zijn jonge broer sliep. Hij sloop naderbij en sloeg met de steen zo hard als hij kon tegen het gezicht van Abel. Bloed stroomde van diens gelaat.
Abel was dood. Kaïn had zijn jongere broer vermoord.

 

Hoofdstuk 4: De Wraak van God

Het alziende oog van God was niets van dit alles ontgaan. En God strafte Kaïn door hem te verdoemen tot eeuwig ronddolen. Geen eten zou Kaïn ooit nog tot zich mogen nemen, geen drank en geen warmte. En toch zou God hem in leven houden, zodat hij eeuwig zwerven zou in pijn en smart.
Als een zielloze.

 

Hoofdstuk 5: Het Moeras-hol

Kaïn verdwijnt in de onzichtbare catacomben van de Duivel, waar hij niet meer waarneembaar is voor de Mensen. Hij voelt er zich ongelukkig en tracht weg te komen, maar de Duivel weerhoudt hem. Na jaren van zwoegen lukt het Kaïn toch uit de catacomben te ontsnappen. Eeuwenlang zwerft hij door het Noordtse land, niet etend noch drinkend, steeds gevoellozer wordend en toch zijn lijf behoudend, niet kunnende sterven door de wraakstraf van God.
Hij vindt een moeras in het Noordtse land en verbergt zich daar. Door onder water en in de zomp levende Moeraswijven wordt hij –onttrokken aan het oog van God- gevoed, ook laten zij de ondode drinken aan hunne borsten. De Moeraswijven waren voormalige echtgenotes van belangrijke Denen en leden van de stam der Scylden; zij waren verbannen naar woud en moeras omdat hun mannen jongere vrouwen hadden genomen.
Wrok- en haatgevoelens overheersten dan ook in die moeraswereld. De Heksen hadden er holen gemaakt waar ze in leefden. Grendel –zoals zij de ondode noemden- werd hun lieveling, hun hartendief. Zij zouden hem wel weer leven inblazen, daar hadden ze God niet voor nodig! Wraak zou hij voor hen nemen: paleizen en feestzalen zou hij verwoesten, zodat die voormalige mannen van hen eens een lesje geleerd zou worden!
Het voorkomen van Grendel veranderde sterk onder invloed van de Moerasheksen, hij begon op een Monster te lijken en op een reusachtige Trol. Zijn gelaat werd pokdalig, slijk en slijm uit de zomp werden zijn mantel en kleed, zijn haren groeiden en werden lang, sliertig en woest, zijn onbeschermde geslacht werd sterk en onverwoestbaar, zijn armen werden als ruwe knobbelige boomstammen en zijn ogen lichtten duivelsrood op en gloeiden als kolen.
Grendel was klaar voor de strijd.
De Moeraswijven stonden juichend om hem heen:
“Onze lieveling, onze zoon!”
“Onze Grendel, ons Moeras-Monster, de Walg-Trol die wij schiepen!”

 

Hoofdstuk 6: Koning Hrothgar

Abel sterft na een lang en gelukkig leven te hebben geleid. Hij wordt opgenomen in de hemel en krijgt eeuwen van rust toegewezen door God. Pas in de zesde eeuw blaast God hem weer leven in en zendt hem terug naar de aarde, waar hij geboren wordt uit de eega van Halfdan, die Koning van de Denen is.

Hij wordt Hrothgar genoemd en volgt zijn vader op als Koning.

 

Hoofdstuk 7: Overwinningen

Koning Hrothgar viert overwinning op overwinning: zijn edellieden en voor-Vikingen raken bedwelmd door hun successen. Zij benevelen zich met drank en sterke pijptabak, gerookt in zelfgemaakte pijpen die zij hakken uit het hout der bomen in de wouden, lang voordat de eerste Hollander een stenen pijpje zou roken.
Deze festijnen en orgieën vierden zij in de open lucht en het viel Koning Hrothgar zwaar zijn mannen in de barre koude te zien drinken, roken en vrijen.
Dus besloot hij tot de bouw van een feestzaal, die hij Heorot noemde.
Het was ‘De Hemelse Hal’, de ‘Hal der Harten’, en de zaal waar overwinningen op de vijand gevierd werden.

 

Hoofdstuk: 8 Afgunst

Grendel werd er door de Moeraswijven op uitgestuurd om te zien wat die belangrijke heren daar uitspookten.
En het Trol-Monster voelde gelijk dat Koning Hrothgar geen onbekende van hem was: hij haatte hem als zijn eigen gewezen broer.

Broederliefde gevoelde hij niet, er was slechts haat, nijd, jaloezie en afgunst in het zwarte hart van dit Monster. Van buitenaf zag hij de dronkenmansgelagen, de feesten en festijnen in de Heorot. Hij zag edellieden schaamteloos copuleren met de heerlijkste wijven, wijn drinkend en pijp rokend terwijl ze vreeën, hun minnespel hel verlicht door kaarsen en kandelabers.

En hij sloop naderbij………

 

Hoofdstuk 9: Monster-moorden

Het duurde niet lang of Grendel kon zich niet meer inhouden. Opgehitst door enkele Heksenwijven die achter hem stonden en hem influisterden en –sisten: “Vermoord ze! Maak ze koud! Zie je niet hoe ze daar drinken en vrijen, en roken zonder schaamte? Jij staat hier buiten in de bittere Noordtse kou, ze zíen je niet eens. Maak ze af, trek hun koppen van hun romp, ze verdienen niet anders!”
En Grendel ging.
Hij sloeg de deuren tot de feestzaal kapot en wurgde bruut de eerste man die hij zag. De volgende smeet hij op de grond, zodat het wijf dat die neukte tien meter verderop belandde. Hij hieuw hem de kop in: de schedel van de man werd volledig verbrijzeld, zo abrupt en heftig dat men slechts beenderscherven kon waarnemen en niet eens bloed, omdat de voor-Viking excessief snel de dood ingejaagd was.

Hij greep een massieve kandelaber en sloeg op de volgende man in. Zo zaaide Grendel dood en verderf in de Heorot, de feestzaal die een lijkenhuis werd.

 

Hoofdstuk 10: Broeders

Koning der Denen Hrothgar trad naar voren, hij stond oog in oog met Grendel, het Monster.
Zonder een woord te spreken, wisten zij beiden dat zij gewezen broeders waren. Grendels haat ketste af op de vriendelijkere ogen van Hrothgar.
Het Trol-Monster sprong op de Koning af en stortte zich op hem.
“Hoeveel levens moet ik krijgen om jou definitief te vermoorden?”, riep Grendel ziedend uit. En hij hief zijn rechterhand op om Koning Hrothgar dood te slaan.

Maar God beschermde Hrothgar en scheurde de rechterarm van het Monster van zijn schouder, zodat die gillend van pijn een veilig heenkomen zocht. Hrothgar bleef ongedeerd. Hij viel op zijn knieën en dankte God.

 

Hoofdstuk 11: De Held Beowulf

Toch is Koning Hrothgar verbitterd en ten einde raad als Grendel afdruipt, want diens Trollen-monsterbek is roodgekleurd en druipt nog van vers bloed door de velen die hij in de feestzaal afslachtte.
Wanhopig kan Hrothgar de slaap niet vatten, om hem heen liggen de dode lichamen van krijgers en mooie jonge vrouwen.

Tegen het ochtendgloren verschijnt een dappere man, gekleed in wolvenhuiden, het is Beowulf, de zoon van Ecgpeow. Ecgpeow is ooit vrijgekocht door Koning Hrothgar en zwoer hem eeuwige trouw. Nu hij door de Berggeesten de Alven gehoord heeft dat Hrothgar in nood is, schiet hij hem onverwijld te hulp.

Koning Hrothgar ziet de jonge krijger Beowulf verschijnen en valt op zijn blote knieën op de grond neder en dankt God. Ten tweeden male.

 

Hoofdstuk 12: De Reuzenworm

Grendel keert terug naar zijn hol bij de Moeraswijven. Die helen zijn arm en schouder en Grendel lijkt weldra weer de oude.
Al snel krijgen de Moeraswijven in de gaten dat de Koning der Denen hulp krijgt van een stoere en vrijwel onverslaanbare krijger: Beowulf.
Zij nemen ook direct maatregelen.

“We moeten je gedaante transformeren, Grendel! Zoals je nu bent, heeft iedereen je al gezien. Je moet een andere gestalte krijgen.”
“Ja!”, gilde een Moerasheks, “Je moet een wanstaltig grote WORM worden, kwaad als de slang uit het paradijs.”
“Oh, welk een verrukkelijk vilein idee,” kirde een andere Moerasteef.

En de Moerasheksen begonnen gelijk moerasplanten, drab, slijk, slijm en Toverkruiden te vergaren om Grendel te veranderen in een Monsterworm.

Een der oudste Moerasheksen sloeg er een verweerd en met slijk besmeurd boek op na. “Hier staan fraaie Toverspreuken in, die heb ik indertijd nog gejat van de Gouden Tovenaars. Die zijn allen overleden. Door onbekende oorzaak. Há ha há ha há! Hí hi hí hi hí!”, lachte zij zo onaangenaam dat complete vissenscholen op hetzelfde moment afstierven.
En Grendel de Trol werd ingesmeerd met slijm en drab, de Heksen bespuugden hem en sloegen hem met takken in het gezicht. Zijn hart namen zij uit zijn lichaam ‘Daar heb je toch niks aan, schatje. Het zou je maar tot medelijden verleiden’ en de oude Moerasheks sprak het volgende Tover-poëem uit:

“Grendel, vergrendel
Grendel, vergrendel
Sluit je af, oh moorddadige Grendel!
Sluit je af van al het goede dat nog in je leeft
Zorg dat vriend en vijand voor je beeft!
Word onmeedogend, wreed en hard
Laat ons zien dat je vriend en vijand tart
Je leeft nu voort maar zonder hart!
Dus toon ons hoe barbaars en hardvochtig je kunt zijn
Verblijd ons en doe Koning Hrothgar pijn!
Wij zalven je nog met deze laatste Moerasdrab
Toon ons nu je slechtste eigenschap!!!”

De Worm Grendel verrees tot wanstaltige grootte, een Reus gelijk, en slaakte een ijselijke en moordlustige gil, die ZO verschrikkelijk door merg en been ging dat zelfs de oudste Moerasheks sidderde.
“Ja,” zo verzuchtte het oude Moeraswijf, bijna geschrokken over haar eigen creatie, “Zo ben je goed. Ga met Satan, schat. Dat hij je beschermen moge en de wreedste daden in mag geven!”

En Grendel, het Trol-Monster, tot Worm verworden, ging.

 

Hoofdstuk 13: Beowulf vecht met de Reuzenworm

De krijgers van Beowulf stonden op de uitkijk, maar allen zagen uit naar een Monster, een Trol gelijk. Niets van dien aard viel te bespeuren. Wel zag een van de mannen een soort grote slang over de grond kruipen, maar hij schonk er geen aandacht aan, hij moest immers blijven opletten, zodat hij de komst van het Trol-Monster Grendel niet zou missen!

Beowulf trad uit de Feestzaal Heorot en vroeg aan zijn krijgers of ze Grendel al gezien hadden. Allen schudden het hoofd.
“Er kruipt daar wel een enge Reuzenslang,” zeiden ze, “Maar daar schenken we liever geen aandacht aan, opdat we de komst van Grendel niet missen.”
“Och, jullie stomkoppen!”, riep Beowulf woedend uit, “Dat IS Grendel!!! Begrijp je dan niet dat zo’n Monster over Toverkracht beschikt? Hij heeft zich gemetamorfoseerd, vast met de hulp van de Moerasheksen die daarginder in de zomp leven. Pak jullie zwaarden en bereid je voor op de strijd!”

Zijn mannen deden wat hun gezegd werd en Grendel, de afzichtelijke Reuzenworm, kreeg al snel in de gaten dat zijn metamorfose door Beowulf geraden was en dat hij dus ontdekt was! Nu had het geen zin meer om stilletjes over de grond te kruipen, dus moeizaam en traag richtte hij zich op, een walgelijke, slijmerige Reuzenworm, die er angstwekkend en vervaarlijk uitzag!
“Het is geen slang, het is een Worm!”, gilde een der mannen, angstig geworden.
“Dat is erger,” zei Beowulf.
Op de vraag van een van zijn mannen waarom dat erger was, antwoordde de held: “Om van een Trol een slang te maken, is minder Toverkracht nodig dan om deze Grendel in een Worm te transformeren. Dat betekent dat hij ontzield is en dat er niets goeds meer door hem heen stroomt, hij zal door die vuile Moerasheksen gevuld zijn met zuiver kwaadaardige energie. Bereid je voor op een harde en bittere strijd!”
De held had die woorden nog niet uitgesproken, of de eerste krijger kreeg al een harde klap van de kop van de Worm.
“Hij heeft geen ogen, geen oren!”, riep Beowulf, “Hij kan dus met zijn kop net zo hard toeslaan als met zijn staart. Hij zal zichzelf niet verwonden!”
Andere krijgers staken met hun zwaarden op de Worm in, maar het gedrocht was vele malen groter dan zij en hun stoere stalen mannenzwaarden geleken hierdoor povere houten kleuterspeeltjes.
Een tweede krijger werd omslingerd door de Worm, de Worm wurgde hem.

Zo vonden ze de een na de ander de dood, die krijgers van Beowulf. Uiteindelijk waren er nog maar twee mannen over: Beowulf en zijn beste krijger AEschere.

“Ga naar het bos,” sprak Beowulf, “Ga naar de Doodsbomen, de bomen met haken, waar Hrothgar zijn vijanden op spietst! En maak één boom vrij, die met de stevigste haak!”
AEschere deed wat van hem verlangd werd, alle bomen hingen vol lijken, hij zocht de boom uit met de sterkste haak, en haalde de dode –die er met een geknakt hoofd aanhing- ervanaf.
“De boom is vrij, heer!”, riep hij naar Beowulf.
Beowulf knikte en verzamelde alle moed en kracht die in hem was. Zijn gestalte werd iets gedrongener, hij had nu de kracht van een beer. Hij sprong op de staart van de Reuzenworm toe en greep die zo hardhandig beet dat het ondier een kreet van pijn slaakte.
De staart van de Worm stevig in zijn handen vasthoudend, liep hij naar de Boom met de haak. Hij prikte de staart van de Worm op de haak en duwde stevig door. Slijmachtig vocht droop uit de staart van Grendel, de Worm. Aan één kant zat het monster nu vast.

Toen liep Beowulf naar de kop van het dier en greep het zonder angst vast. Vervolgens begon hij te rennen en te trekken: zo wilde hij de Worm uiteenrijten, zodat die uit elkaar spatten zou en zo de dood zou vinden.

De Reuzenworm die begreep wat de bedoeling was, verzette zich uit alle macht en probeerde héél te blijven door zijn kop naar zijn staart toe te duwen.
Het werd een gigantisch getouwtrek, maar door de snijdende pijn van de haak die het Monster steeds in zijn staart bleef voelen, leek Beowulf te winnen.
Op een gegeven moment was de kracht van de Walg-Worm op en Beowulf kon wègrennen met diens kop in zijn handen. De Reuzenworm werd langer en dunner, volledig uit elkaar getrokken werd het afschuwelijke Monster. Het slaakte ijzingwekkende kreten van pijn, die tot ver in de omtrek hoorbaar waren.
Nòg leefde Grendel en even leek het erop dat de haak het zou begeven en van de boom afgetrokken zou worden. Maar AEschere, die dappere krijger, greep de haak vast en drukte hem stevig tegen de boom aan.

Beowulf trok en trok, het volledig uitgerekte middenlijf van de Worm leek een draad te worden, zo dun en uitgerekt was het Monster nu. Alleen zijn kop en staart behielden nog hun ware grootte. Maar Beowulf liet niet af, hij bleef trekken en rende voort zo hard als maar enigszins mogelijk was.
En toen… toen spátte de Reuzenworm uiteen. Het gaf een gigantische explosie, een enorme knal, men hoorde de ijselijke doodskreet die de Worm slaakte en overal uit de hemel daalden stukken Worm, drab, en slijmerige Worm-ingewanden op de aarde neer.
Beowulf kreeg stukken van de kop van de Worm op zijn hoofd, AEschere kreeg nog een klap in zijn gezicht van een stuk staart van het beest dat door de kracht van de explosie hem in het gezicht vloog.

Maar Grendel leek dood te zijn.

 

Hoofdstuk 14: Het Plan van de Moerasheksen

In het vervallen paradijs leefde een slang en die voelde gelijk dat een deel van hem verstorven was.
“Moord,” zo siste de slang, “Brute moord! Oh, maar ik zal Grendel wreken. En als ik het zelf niet kan, dan zal ik zorgen dat zijn dood gewroken wordt!”
En sissend en lispelend, zijn tong voortdurend in- en uittrekkend, begaf de slang zich op pad naar het moeras.

De Moeraswijven hoorden van de slang het nieuws dat hun lieveling, hun oogappel Grendel vermoord was door Beowulf.
“Wij zullen hem wreken, wij zijn immers zijn moeders! Laten wij Beowulf doden!”, zo riep een Moeraswijf.
“Nee,” zei een andere Moerasheks, “Wij zullen hem eerst laten lijden. Hij nam ons onze schattebout af, die wij verzorgden als onze eigen zoon, daarom zullen wij eerst AEschere doden, de lievelingskrijger van Beowulf. Dat zal zijn hart breken. Erna pas zullen wij hemzelf ombrengen.”
Alle Moerasheksen knikten instemmend, ze vonden het een goed plan.

 

Hoofdstuk 15: Doodskus

Heks Schayla werd uitverkoren. Zacht lispelend beraadslaagden de Moeraswijven. Schayla moest wachten tot het donker was, dan zou zij het kasteel van Koning Hrothgar binnensluipen en zich zonder omwegen naar het slaapvertrek van AEschere, die daar te gast was, begeven. Zij zou hem niet bruut doodsteken of wurgen, maar zij zou hem doden door hem te kussen. Hiertoe moest zij zich volzuigen met giftige moerasdampen, die voor Zompwijven onschadelijk zijn, maar voor een Mens ten enenmale dodelijk. Aldus geschiedde.

Koning Hrothgar vierde uitbundig feest in de Heorot. Beowulf en zijn dappere krijger AEschere hadden het Monster Grendel verslagen. Daarop moest gedronken worden! En de mannen beklonken het schitterende succes met vele glazen wijn. Uitgeput begaven zij zich erna van de Heorot naar het Kasteel. AEschere beklom moe en beneveld de trappen, zijn logeervertrek was in de torenkamer gelegen.

Moerasheks Schayla was het vliegen niet machtig. Ook had zij geen bezemsteel, want zij maakte nooit iets schoon. Maar zij was agiel en behendig en zij deed niet onder voor een hagedis als het op het beklimmen van gladde kasteelmuren aankwam.
Het was half twee in de nacht. Schayla stond voor het kasteel en kon voelen waar AEschere zich bevond. Snel ontdeed zij zich van haar dikke mantel en klauwde zich met handen en voeten vast aan de muur. Toen kroop zij omhoog en toen zij de toren bereikt had, sloop zij geruisloos door het open venstergat naar binnen.
AEschere snurkte luid; alcohol- en tabaksdampen omgaven hem. “Zo, ventje,” lispelde de Heks, “Jij hebt het er goed van genomen, nietwaar? Wel… als ultieme beloning……… krijg je nog een kus!”

Schayla ging aan de rand van het ledikant van de uitgeputte strijder staan en boog zich voorover. Met de duim en wijsvinger van haar rechterhand kneep zij zijn neus dicht, vervolgens bracht zij haar mond op de zijne en omsloot die geheel met haar lippen.
AEschere ontwaakte met een schok en had in een oogwenk door wat hier gebeurde. Hij was gelijk helder en het leek alsof hij geen druppel gedronken had. Maar Schayla had toch al enkele seconden voorsprong, want gedurende die paar seconden had zij reeds giftige dampen in de strijder geblazen. Die misten hun uitwerking niet, en AEschere begon wel wild om zich heen te slaan, maar toch niet zo krachtig als hij normaal geweest zou zijn. Schayla bleef de giftige moerasdampen waarmee zij zichzelve vol had gezogen in de man blazen. AEschere pakte haar armen beet en wilde zich losrukken. Maar zijn ogen verdwaasden en zijn armen vielen slap langs zijn lichaam neder. Hij liet het leven.
Heks Schayla nam hem mee op haar rug en kroop behendig langs de kasteelmuur weer naar beneê. Niemand had ook maar iets gemerkt.

 

Hoofdstuk 16: Beowulf de Dappere

De volgende morgen duurt het niet lang of Beowulf ontdekt de vermissing van zijn vriend en beste strijder.
“De Moeders!”, zo weet hij meteen. En hij vraagt Koning Hrothgar –voor wie hij onverveerd strijdt- toestemming om naar het moeras te gaan en het lichaam van AEschere mee terug te nemen, want hij is er al van overtuigd dat zijn vriend en medestrijder dood is.
Koning Hrothgar geeft hem natuurlijk die toestemming, maar hij maant de dappere Beowulf wel: “Wees voorzichtig, neem enkele van mijn mannen mee als je wilt, die Moeraswijven zijn haatdragend en kennen hun eigen geniepige manieren van vechten. Zwaarden noch dolken zullen zij gebruiken, maar zij zullen je betoveren of inblazen met gif. Wéét waar je aan begint!”
Beowulf de Dappere knikt. Hij spreekt geen woord, maar hij gaat op pad.
Alleen.

 

Hoofdstuk 17: De Rechterarm

Het duurt niet lang of de stoere strijder Beowulf komt aan bij het moeras. Mistige dampen die onwelriekend zijn en die doen vermoeden dat je ze maar beter niet kunt inademen, walmen op uit de zompige venen. Beowulf wordt voorzichtig, hij bukt zich en sluipt stil als een muis naderbij.
Daar ziet hij enkele Moerasteven, vuile Heksen en Krengen zonder eer. Hij hoort ze fluisteren en lispelen, als waren zij serpenten. Flarden van hun gesprek vangt de held op.
“Onze Schayla heeft het góed gedaan. Zij nam het leven van die vuilak door hem te kussen!”
“Oh, hoe heerlijk, hoe gemeen! Zij ademde gifdampen in hem, zijn mond omsluitend met de hare. Welk een waarlijk héérlijk venijnige wijze om een kerel de dood in te jagen!”
“Geen zwaard noch dolk kwam eraan te pas! Zij hoefde hem niet eens te wurgen! Geen kussen drukte zij op zijn krijgersmond, zij kùste hem slechts, lange… tot hij de dood vond!”
Beowulf hijgde van ontzetting en schrik, liggende in de varens nabij het moeras. Hadden zij zijn beste vriend zó omgebracht? Hadden zij hem niet gewurgd, niet doodgestoken, niet eens een kussen op zijn mond gedrukt? Hij was verbouwereerd en voelde zich ontheemd, thuisloos en lusteloos. Dat deze Krengen van het Moeras zijn dappere medestrijder op deze wijze van het leven hadden beroofd, leek ook hèm kracht te ontnemen! Maar hij wilde niet toegeven aan deze tijdelijke zwakte, hij zocht zijn focus, zijn moed, zijn dapperheid en fierheid. Hij werd koen en vechtlustig en hij overwon zijn tijdelijke zwakte geheel!
Beowulf springt op vanuit de varens, hij neemt zijn zwaard en houwt de net nog genoeglijk pratende Moerasheksen de koppen eraf! Grauwgroen en slijmerig Moerasheksenbloed druipt van hunne onthoofde lichamen. Een ander Wijf stapt op Beowulf toe, zij wil hem weerhouden van verder geweld, maar hij schreeuwt haar toe:
“Waar is hij, mijn dappere AEschere? Jullie hebben hem van het leven beroofd, laat mij dan tenminste zijn lichaam mee terúgnemen, zodat ik hem eervol kan begraven!”
“Zijn lichaam?”, lispelde het Moeraskreng gemeen, voorzichtig rechts achter zich kijkend, “Dat is toch allang vergaan! Opgenomen in Eeuwige Moerasdampen! Van die hondenlul AEschere vind je niets meer dan slijk en slijm terug!”
“Je LIEGT, jij vuil Kreng!”, riep Beowulf en hij liep direct in de richting waarin de Heks een moment lang gekeken had.
Dáár vond hij AEschere, zijn krijger en beste vriend en hij aarzelde geen moment maar nam hem op en legde zijn dode lichaam over zijn schouder.
Doch het Moeraswijf hield hem tegen, zij pakte het lichaam van AEschere beet, gillende: “Hij blijft hier, die rotzak, versta je wel!!!! Hij is ònze prooi, ònze overwinning en jij zult hem ons NIET afnemen!”
Een keiharde klap in het gezicht van het Moeraswijf was het antwoord van Beowulf op deze uitspraak. Er volgde een getrek aan het lichaam van de levenloze AEschere; Beowulf wint, maar de Heks weet de rechterarm van het lichaam van de dode krijger eraf te trekken en Beowulf moet gaan, mèt het lichaam van zijn vermoorde vriend, maar zonder diens rechterarm.

 

Hoofdstuk 18: Het Zwaard Hrunting

De rust keert weer bij de Moerasheksen en ook Beowulf is tevreden, hij heeft het lichaam van zijn vriend goeddeels geheel mee terug kunnen nemen.

Enkele dagen later begeeft een der Moerasheksen, genaamd Drászya, zich op pad. Zij gaat op onderzoek uit zonder dat zijzelf precies waarnaar of waarom. Maar zij vindt resten van de Reuzenworm en zij herkent hierin ogenblikkelijk de door haar en de andere Moerasheksen zozeer geliefde Grendel.
Zorgvuldig zoekt zij alle stukken van de Reuzenworm Grendel die zij maar kan vinden bijeen. Zij neemt al deze resten mee naar haar vriendinnen –de andere Moeraswijven- en zij besluiten Grendel weer òp te bouwen, hem opnieuw leven in te blazen.
Dat lukt verbazingwekkend goed en als Grendel -wormachtig van gestalte- weer voor de Heksen staat, zegt er een: “Wij hebben nog de rechterarm van AEschere, laten wij die aan ons Monster bevestigen!”
Alle Heksen knikken, iedereen stemt in, tevreden.
“Hij lijkt nog te veel op een Worm. Laten wij hem zijn oorspronkelijke gestalte weer teruggeven, laat hij weer de Monster-Trol Grendel worden! Dan kan hij strijden als iedere andere strijder en dan hoeft hij geen Worm meer te zijn. Wij geven hem een zwaard. Ziehier, het zwaard dat wij van Unferth gestolen hebben, het zwaard Hrunting! Unferth was altijd al een opponent van Beowulf en dit zwaard Hrunting zal Beowulf te gronde richten!”
Alle Moerasteven lachten en hun gelach klonk als het slijpen van steen met een metalen voorwerp: knarsend en hard, onaangenaam en wreed-kil echode hun gelach door de maanloze nacht.

 

Hoofdstuk 19: Het Gevecht tussen Beowulf en Grendel

Het duurt niet lang of Grendel is weer helemaal opgebouwd, hij gelijkt het oude Monster dat hij vroeger was. Hij verheugt zich op de strijd met Beowulf en wil niets liever dan ook zijn broeder van weleer Hrothgar de dood injagen. Grendel gelijkt nu een reusachtige Trol: hij is drie en een half meter groot, zijn gestalte is indrukwekkend, hij ziet er vervaarlijk uit. Zijn lichaam is volledig naakt, zijn geslacht is groot en lijkt onverwoestbaar, het schijnt niet nodig dit te beschermen. Zijn huid en lichaam zijn pukkelig en vol barsten, sneden en bulten. Hierdoor lijkt hij evenwel niet ziek en zwak, maar deze pokdaligheden schijnen zijn harnas te zijn.
Hij loeit en brult, hij verrijst en hij dendert voort, op weg naar het kasteel van Koning Hrothgar.

Een van diens mannen heeft wacht en vanuit een uitkijktoren ziet hij het Gedrocht aan komen donderen. Hij slaat ogenblikkelijk alarm.
Beowulf aarzelt geen moment, hij breekt de feestelijkheden om de terugkeer van het dode lichaam van AEschere te vieren gelijk af en hij maant Koning Hrothgar zich schuil te houden.
Die weert dit af: “Ik strijd mee! Als het moet, ga ik met u ten onder, o dappere Beowulf!”
“Niets van dit al!”, zo maant Beowulf de Koning, “Gij zijt Koning, ik slechts strijder. De Denen zullen ook zonder mij overleven, maar zonder uw heerschappij zijn zij nergens!”
De Koning legt zich erbij neer en schudt Beowulf de hand, hem zeggende: “Ga met God!”

Een rauwe kreet doet mens en dier verschrikken, het is Grendel het wanstaltige Monster dat niets anders wil dan het bloed van Beowulf tussen zijn gedrochtelijke tanden smaken!
Het spreken is hij onmachtig, hij brult slechts en zwaait met zijn wanstaltig grote armen.
“Hrààwgh, hrààwgh!!!”, schreeuwt hij, maar Beowulf wordt niet bang.
Grendel is meer dan anderhalve meter groter dan Beowulf, maar Beowulf zoekt zijn kracht, zijn manlijkheid, zijn fierheid en zijn dapperheid. En Beowulf vertrouwt op God.

De kamp begint en het Monster slaat met het zwaard Hrunting toe. Beowulf herkent het zwaard gelijk als het wapen van Unferth, een van zijn krijgers en hij meent dat dit zwaard hem niet zal kunnen verwonden. Maar hij krijgt ongelijk, want de eerste houw van Grendel met het zwaard verwondt Beowulfs rechterschouder hevig. Bloed druipt van de held af, zijn gelaat is vertrokken van pijn. Daar komt bij dat zijn hart ineenkrimpt van smart want hij beseft dat Unferth zich tegen hem had gekeerd, en dat hij dit niet in de gaten had gehad.
Dus kan het zwaard Hrunting hem wel degelijk verwonden!
Maar van een der Moerasheksen had Beowulf een zwaard meegenomen, een kostbaar bezit voor haar, dat zij ooit verkregen had door de moord op een Gaut.
“Wanneer jij mij kunt verwonden met zwaarden die eigenlijk mijn makkers toebehoren… zo zal ik jou pijnigen met het zwaard een jouwer moeders!”
En Beowulf hakt op het Monster in dat die kermt en schreit van de afgrijselijke pijn die het hem doet!

Beowulf slaat en houwt, hij werpt zijn zwaard op de grond en bespringt het Monster Grendel om hem te wurgen. In deze afzichtelijke doodsstrijd pakt het Gedrocht het op de grond liggende zwaard op, neemt het in zijn rechterarm, heft die omhoog en wil Beowulf doden!

Die ziet de mouw die de rechterarm van Grendel omgeeft en herkent hierin de kleding van AEschere. Dit is de achtergebleven rechterarm van zijn beste vriend!
Beowulf springt terug op de grond en spreekt de legendarische woorden:
“Deze arm kan mij niet doden!”
Hij krijgt gelijk, want de geest en ziel van zijn vriend AEschere varen terug in zijn eigen arm en het Monster Grendel moet machteloos toezien hoe zijn rechterarm met het erin vastgeklampte zwaard slap naar beneden gaat hangen. De hand van het Monster ontspant tegen diens wil en het zwaard valt op de grond.
De blik in de ogen van Grendel wordt dommig en imbeciel en het Monster staat er een tijdlang onbenullig bij.
Beowulf maakt hiervan gebruik en grijpt een stevige tak die op de grond ligt. Hij slijpt de tak van de boom snel scherp tot een zwaard, en houwt hiermee de kop van Grendel af.
Grendel is dood, het Monster is verslagen.

Beowulf neemt de rechterarm mee om hem bij te zetten bij de rest van het lichaam van AEschere in diens graf.

Het Monster Grendel is gestorven, om nooit meer tot leven gewekt te worden.

 

Hoofdstuk 20: Feest in de Heorot!

Zegevierend keert Beowulf terug naar het paleis van de Koning. Die richt ogenblikkelijk de feestzaal Heorot opnieuw in. De overwinning wordt beklonken met vele glazen wijn.
Koning Hrothgar overlaadt Beowulf, de held, met geschenken. Beowulf is gelukkig en tevreê.

Maar de Koning maant de held ook om ootmoedig te blijven, want een strijder –hoe dapper ook- weet nooit welke vijand hem in de toekomst nog wacht.

 

EINDE!

 

Uitleg moeilijke woorden:

Beneê is poëtisch Nederlands voor beneden
Catacomben zijn onderaardse gangen of onderaardse begraafplaatsen
Copuleren betekent seks hebben
Eega is degene met wie men getrouwd is (eega kan zowel de man -echtgenoot- als de  vrouw -echtgenote- beduiden)
Festijn betekent feest
Hunne is Oudnederlands voor hun
De kamp is een synoniem voor het gevecht, de strijd (het kamp is een legerplaats of tentenkamp)
Koen betekent dapper
Neuken is plat voor geslachtsgemeenschap hebben, seks hebben
Noordtse betekent Oud-Scandinavische (Noordse)
Onverveerd of onvervaard betekent zonder angst te kennen
Ootmoedig is nederig
Opponent betekent tegenstander
Een orgie is een drank- en seksfestijn
Ultiem is (aller-)laatste
Vilein betekent schurkachtig
Zichzelve is poëtisch Nederlands voor zichzelf
Een zomp is een moeras