Gedagten© van Frederick om te glimlachen

Je kunt gedoopt worden. In wijwater. Als baby. Of in de melk. Als koekje.

(geschiedenis) Neanderthaler. Neanderdaler. Neanderlander. Nejerlander. Nederlander.

Je hebt 26 letters. Maar wat je dáár allemaal mee schrijven kunt!

(onverwacht jeugdig) De oude man liep met een stok in de hand. Een zuurstok.

Kan één druppel een emmer echt doen overlopen?

Je kunt beter een auto met een deuk hebben dan een boot met een gat.

Witlof smaakt als zwartlof.

Wij eten jam. Maar de bure’… die eten confiture.

Hij bleef erin. Waarin?

Een Fransman kan snakken naar een maaltje met slakken. En een Nederlander naar adem.

Ze leggen een kaartje. Dat is zo hun aardje.

Hij ging het klooster in. Vanwege het bier.

Duiven koeren. Dronkaards boeren.

Hij houdt niet van spaghetsie.

Je portemonnee voelt anders aan na ‘t shoppen.

“Als ik kiezen mag…” “Maar dat mag je niet”

(kind) “Krijg ik na m’n melktanden iets leukers?”
(vader) “Wat zou je willen dan?”
(kind) “Colatanden!”

(ouder) “Wees e’s zoet. En hou je snoet”

(voetbal) Het heet wel elftal. Maar er spelen geen elfjes in mee.

Twintig jaar is jong. Maar niet voor je auto.

(dit weet ieder kind) Spelen is een serieuze zaak.

Vriendelijke Gedagten© van Frederick

Je kunt je glas wel laten vallen. Maar dat hoeft je dag nog niet te vergallen.

Door de regen lopen. En op zon blijven hopen.

Verliefd, verloofd, vertrouwd.

Het kruideniertje op de hoek. Is al heel lang zoek.

(ssst!) Ik zit stil op mijn bankje te genieten.

(kindje) Vandaag was wel veel gedoe. Daarom doe ik nu mijn oogjes toe.

(Kind) <Ik weet niet wat ik moet doen!>
(Moeder) <Geef me dan maar een zoen>

Het meisje heeft een knuffeldeken. Dat heeft ze goed bekeken.

‘s Winters is een kacheltje leuker dan ‘s zomers.

De weg zit vol kuilen. Misschien kunnen ze hem voor een andere weg ruilen.

Al di Albert Heijns.

Je kunt beter tweemaal aanbellen dan voor een dichte deur blijven staan.

Mensen die schelden, zijn niet zulke helden.

Met deuren kun je alle kanten op: open, dicht, op een kier…

Vandaag ziet er morgen anders uit.

Scherpe en scherpzinnige Gedagten© van Frederick

“Weet ìk veel!?” “Nee!”

“Mag ‘t een onsje meer zijn?” “Nou nee, liever niet”

“Ik heb zin in niks” “Is niks zo leuk dan?”

Onze Lieve Heer op Zolder. Wat doet ie dáár nou?

Als je veel lacht, krijg je meer kracht.

Hij kijkt wel. Maar hij ziet niet.

Als je je verslikt, is het net of je stikt.

Een monnik kan de hele dag bidden. Waarover dat laat ik in ‘t midden.

Ouders vinden computerspelletjes te wreed. Maar vroeger speelden ze zelf poppetje aan de galg.

(als je ‘t had) “Hoeveel geld zou je op één dag kunnen uitgeven?”

Het vijfde rad aan de wagen. Dat is het reservewiel.

Waarom zie je in het pret-park zoveel huilende kinderen?

Klerewinkel. Lijkt me niet zo’n gunstige naam voor een kledingzaak.

<Heb je soms poep in je oren?> <NEE! Maar ‘t zou wel fijn zijn, want dan kon ik jou niet meer horen!>

Een giraffe: een onderzeeboot. Een zeemeeuw: een vliegtuig. Een libelle: een helikopter. Mensen hebben altijd de kunst afgekeken.

Zwarte Piet is wit. Hij is alleen vaak door de schoorsteen gekropen.

(vriendinnengesprek) <Mijn nieuwe vriend is echt geniaal. Zuipen, boeren, scheten… hij kan het allemaal!>

(juryuitspraak) <Je hebt alle verwachtingen overtroffen! Je was nòg slechter dan we al dachten!>

De acteur kreeg een klein rolletje.    Drop.

Simpele Gedagten© van Frederick

Hij wachtte en wachtte. Het was al na achte’.

Grindpaadjes harken. In rustige parken.

Hoeveel bomen zouden er zijn op de wereld?

Dat is een mooi doosje. Dat heb ik al een poosje.

Het is héél warm. Maar niet altijd.

(kindje) <Ik ben aan het tellen. Al mijn zeepbellen>

Een kruikje. Op je buikje.

Yoghurt met vruchte’. En kijken naar mooie luchte’.

De zon verdwijnt. En de maan schijnt.

De lamp staat op zijn voet. Hij staat daar heel zoet.

(rekenen) Hoeveel is 84 maal 1,2 miljoen? Een hele hoop poen!

De aarde kan beven. Een vliegtuig kan zweven.

Hij bakt een omeletje. Dat is zijn dagelijks’ pretje.

Twee mensen lopen over straat. Het is nogal laat.

Het jongetje stond in de hoek. Maar wat hij wilde was een koek.

Het ruikt naar koffie en zoet parfum.

Woordspelige Gedagten© van Frederick

Gele paprika is ook groente. Niet geelte.

Je hebt je inkomen. Daar moet je mee uitkomen.

Der ver-koper ver-zilvert.

Linea is het Latijnse woord voor lijn. Daarom is liniaal fout.

De maaltijd is de tijd waarop je het maal gebruikt. Maar de maaltijd kun je niet gebruiken.

Kaas wordt van melk gemaakt. Of van pinda’s.

Oude voorwerpen zijn tegen het Europees Kampioenschap voetbal. Ze zijn anti-ek.

De bevoorrading van het schip. De boot-schappen.

De rechter liep steeds krommer.

Het raam kan zitten. Op de venster-bank.

Die broek hangt daar al jaren. Ongepast.

Vrouwen met wie je alle kanten op kunt. Wentel-teefjes.

Hij kan heel goed koken. Van woede.

Hij had wat te vieren. Dat ging niet: ze waren maar met z’n drieën.

Hij heeft te veel pannenkoeken gegeten. Nu ligt hij te crêperen.

De Nederlandse overheid heet Het Rijk. Gelukkig maar. Beter dan De Arme.

Als ik hier de stekker indoe, maakt hij contact. Waarom heet dat ding dan stop-contact?

Weesper moppen zijn niet grappig. Maar wel lekker.

Oliebol. Olie Bommel. Tompouce. Tom Poes.

Ze heeft gezond. Heel gezond.

Een rood stoplicht. Geeft stopplicht.

Witwassen. Uitgekookt.

Tientig. Dat is honderd.

Kattenkat. (‘k-Had een kat)

Een Duitse auto kan varen. (Het Duitse woord ‘fahren’ betekent rijden)

(beveiligd op weg) <Ik rij in een Fort>

Van een oorlam word je lam.

(tegen een kolonel b.d.) “Ik zou liever neuslog voeren”

Een kate is een keet. Een hutje. Een haver-kate is een hutje aan een haverveld. Maar ik woon daar niet meer.

Papa is je vader. Maar mama is niet je mader.

Vee is iets anders dan fee. Maar je spreekt ‘t hetzelfde uit.

Als Ine wax koopt, krijgt ze steeds wax-ine.

Ze ging uit. Haar kleren.