Inleidende woorden...

Sprookjes zijn vaak van oorsprong volksvertellingen die mondeling overgeleverd werden: ouders vertelden ze aan hun kinderen op winteravonden bij een knapperend haardvuur. ’s Zomers op marktpleinen waren er soms vertellers die voor een grote groep mensen verhalen vertelden.
Hierdoor komt het dat er vaak heel veel verschillende versies van hetzelfde Sprookje zijn, want de ene verteller voegde er wat persoonlijks aan toe en een andere verteller liet juist weer iets weg.

Charles Perrault begon als eerste Sprookjes te noteren, waardoor de verhalen wat stabieler werden. Toch tekenden jaren later De Gebroeders Grimm dezelfde Sprookjes soms ook op en dit was dan toch weer een andere versie, die deels te verklaren valt uit het verschil in land waar zij woonden (Frankrijk en Duitsland).
Men noemt dit genre Volkssprookjes: vertellingen waarvan geen auteur bekend is, men weet niet wie dit Sprookje bedacht heeft, maar iedereen kent het. Deze Sprookjes werden bekend door Perrault en Grimm, maar zij hebben ze dus slechts opgetekend, niet bedacht.

De eerste echte Sprookjesschrijver was de Deen Hans Christian Andersen; hij verzon zijn Sprookjes zelf en schreef ze in gebrekkig Deens op. Andersens taalgebruik liet nogal wat te wensen over maar misschien juist daarom stralen zijn Sprookjes een grote puurheid en kinderlijke echtheid uit. De woordkeuze is simpel en het volk had geen moeite zijn Sprookjes te begrijpen.
Sprookjes die niet mondeling zijn overgeleverd, maar door 1 persoon bedacht en geschreven zijn, heten Kunst- of Cultuursprookjes.

Hans Christian Andersen (1805-1875)

Hans Christian Andersen is een Deens Sprookjesschrijver uit de 19-de eeuw. Bijzonder was dat Andersen zijn Sprookjes zelf schreef; veelal was dit niet het geval, zoals bij de Gebroeders Grimm, die bestaande –vaak mondeling overgeleverde- verhalen optekenden en uitgaven.
Andersen werd geboren in Odense als zoon van een schoenmaker en een wasvrouw. Op school werd Hans Christian vaak gepest door zijn klasgenootjes; hierdoor kwam het dat hij introvert werd en het geluk in zichzelf begon te zoeken. Dit legde de grondslag voor de Sprookjes die hij later schreef: Andersen had een eigen –innerlijke- fantasiewereld gecreëerd.
Zijn ouders hadden graag gezien dat hij kleermaker werd, zelf wilde Hans Christian liever naar Kopenhagen gaan om toneelspeler te worden. Ook wilde hij leren zingen en dansen. Toen zijn vader hem hoofdschuddend vroeg waarom hij in ’s hemelsnaam acteur wilde worden, antwoordde de jonge Hans: “Ik wil beroemd worden! Ik weet wel dat je daarvoor eerst moet lijden, maar dat maakt me niet uit!”
Tot de toneelschool werd Andersen niet toegelaten; men vond dat zijn talent ontoereikend was.
Ofschoon de familie Andersen armlastig was, kreeg de jonge Hans toch de mogelijkheid te studeren en later reizen door Europa te maken. Dit werd hem financieel mogelijk gemaakt door beurzen en giften die hij ontving van de koninklijke familie; men heeft om die reden wel vermoed dat Andersen een buitenechtelijke zoon was van Frederick VI, die koning van Denemarken was van in het begin van de 19de eeuw.

Desondanks heeft Andersen veel armoede gekend als volwassene: soms moest hij op piepkleine kamertjes wonen. Wegens geldgebrek heeft hij ook winters in barre koude gekend.
Hij was dan ook zeer dankbaar dat hij in zijn jeugd een lange reis naar Italië kon maken. Hij schreef hierover een boek (De Improvisator) dat kenmerken van een reisverslag heeft en autobiografische trekken vertoont. Het boek werd goed onthaald in Denemarken.
Andersen bezocht herhaaldelijk Engeland; hier leerde hij Charles Dickens kennen en hij was hier dolgelukkig mee want hij bewonderde Dickens zeer. De affectie leek in eerste instantie wederzijds hetgeen leidde tot een uitnodiging van Dickens aan Andersen om gedurende 5 weken op zijn landgoed Gadshill –gelegen tussen Londen en Canterbury- te verblijven. Andersen was dankbaar voor de uitnodiging en genoot er zeer van. Tevens maakte hij van de gelegenheid gebruik om veelvuldig Londen te bezoeken, dat hem wat scheen te overweldigen.
Toch boterde het niet echt goed tussen de familie Dickens en de Deense Sprookjesschrijver. Andersen was ietwat naïef en miste de omgangsvormen die bij de hogere sociale klasse hoorden. Dit wekte de spotlust op van Dickens en zijn kinderen die –subtiele- hints begonnen te geven dat 5 weken wel een erg lang verblijf zou zijn. Andersen was te kinderlijk zuiver van gemoed om deze sarcastische opmerkinkjes op de juiste manier te interpreteren; van zijn kant genoot hij van het contact met de familie Dickens.

Terug in Denemarken voer Andersen met des te meer ijver voort Sprookjes te schrijven. In zijn tijd werden ze pas langzaam bekend, maar zij overleefden hun schrijver en werden steeds fameuzer en wijder verbreid na zijn dood.
In totaal schreef Andersen 156 Sprookjes en Verhalen.

Beroemde Sprookjes van Andersen zijn:
De Chinese Nachtegaal
De Kleine Zeemeermin
De Nieuwe Kleren van de Keizer
De Prinses op de Erwt
De Rode Schoentjes
De Sneeuwkoningin
Duimelijntje
Het Lelijke Eendje
Het Meisje met de Zwavelstokjes

Charles Perrault (1628-1703)

Charles Perrault werd in Parijs geboren. Hij kwam uit een welgestelde burgerlijke familie en studeerde rechten. Zijn broer Pierre was belastinginner voor Lodewijk XIV en raakte failliet toen de Zonnekoning besloot belastingen van lang geleden niet meer te laten innen om onrustige gemoederen tot bedaren te brengen. Pierre kon hierdoor zijn schuldeisers niet meer betalen en werd vervolgens amateur-wetenschapper; hij begon zich bezig te houden met de studie van fonteinen, bronnen en beken.
Een andere broer van Charles –Claude- werd architect en ontwierp de oostelijke vleugel van het Louvre.
Charles zelf werd bekend door het publiceren van De Sprookjes van Moeder de Gans (Les Contes de ma Mère l’Oye) die hij overigens pas schreef op 67-jarige leeftijd.
Hij wordt als de uitvinder/grondlegger van het Sprookjes-genre gezien.
Veel van de Sprookjes die hij schreef waren volksvertellingen die al langer bekend waren. Later bewerkten en herschreven de Gebroeders Grimm dan weer sommige van deze Sprookjes.

Beroemde Sprookjes van Perrault zijn:
Assepoester
Blauwbaard
De Gelaarsde Kat
Doornroosje/De Schone Slaapster
Klein Duimpje
Roodkapje

De Gebroeders Grimm, Jacob Grimm (1785-1863), Wilhelm Grimm (1786-1859)

De beide broers Grimm waren geen schrijvers, maar filologen (taalkundigen). Zij verzonnen dus niet zelf Sprookjes en verhalen, maar zij waren geleerden die op alle mogelijke manieren volksvertellingen en Sprookjes uit hun tijd en vroeger tijden verzamelden. Die tekenden ze op en vervolgens gaven zij ze uit.
In het dagelijks spraakgebruik hebben we het meestal wel over De Sprookjes van Grimm.

Jakob en Wilhelm kwamen uit een groot gezin met 9 kinderen. Hun vader was kantonrechter, hun moeder huisvrouw. De kinderen kregen een goede schoolopleiding en waren zeer ijverig. Maar hun vader kreeg op 44-jarige leeftijd longontsteking en stierf hieraan. Dit betekende dat Jakob op de leeftijd van 11 jaar voor brood op de plank moest gaan zorgen. Dit ging vanzelfsprekend erg moeilijk, maar hun tante sprong bij en stuurde de beide jongens naar het lyceum in Kassel. Daar studeerden zij ontzettend ijverig (12 uur per dag) zonder enige vorm van comfort (ze hadden maar 1 bed en daar sliepen ze allebei in).

Wat later nam professor Savigny de adolescenten onder zijn hoede. Onder zijn leiding begonnen de jongemannen zich enorm voor Duitse literatuur, taalgeschiedenis en de Duitse geschiedenis in het algemeen te interesseren. Wilhelm ving ook aan boeken te verzamelen.
Later trouwde Wilhelm met Dortchen Wild (uit dit huwelijk werden 4 kinderen geboren); Jakob bleef vrijgezel.
De broers verzamelden ruim 200 Sprookjes die zij uitgaven als Sprookjes voor kinderen en ter verhoging van de huiselijke gezelligheid. De titel van deze uitgaven werd Kinder- und Hausmärchen.

Beroemde Sprookjes van Grimm zijn:
De Bremer Stadsmuzikanten
De Prinses en de Kikker (ook genoemd: De Kikkerkoning of IJzeren Hendrik)
De Wolf en de Zeven Geitjes
Hans en Grietje
Rapunzel
Sneeuwwitje
Vrouw Holle