Maak kennis met de schrijver van Nieuwe Sprookjes...

Frederick Haverkate werd in 1965 in Amsterdam geboren.

Het ouderlijk huis lag op loopafstand van het wereldberoemde Concertgebouw en zodra zijn moeder hem dan ook rijp hiervoor achtte, nam ze Frederick mee naar een concert in het Amsterdamse Concertgebouw. Anton Kersjes dirigeerde toen het Nederlands Philharmonisch Orkest en zij brachten onder meer de ouverture Wilhelm Tell van Rossini ten gehore. De twaalfjarige Frederick was meer dan enthousiast en vertelde zijn moeder na afloop van het concert dat dit zijn lievelingsmuziek was. Eerder had zijn vader namelijk van deze ouverture voor een habbekrats een langspeelplaat verworven, op een van diens vele bezoeken aan rommelmarkten waarop Frederick hem toen had vergezeld.
Naast de passie die Frederick al snel ontwikkelde voor klassieke muziek, oefenden ook Sprookjes en Fantasieverhalen weldra een onweerstaanbare aantrekkingskracht op hem uit.
Hij tekende Spoken en Heksen, liet iedereen in zijn omgeving een Heks tekenen en bestudeerde vervolgens de enorme verschillen in die afbeeldingen, begrijpend dat de menselijke fantasie evenzeer universeel als persoonlijk is. Hij begon een handgemaakt blad uit te geven –het Tacha-blad, vernoemd naar verhalen die hij al geschreven had met in de hoofdrol een dappere hond genaamd Tacha –spreek uit: Tasja), enkele jaren later gevolgd door een nieuw blad met de titel ‘Le Journal’.
In deze blaadjes stonden puzzels, verhaaltjes, wetenswaardigheden onder het kopje ‘Wist u dat…’ en raadsels.
Zijn eindexamen deed hij aan de Christelijke Scholengemeenschap ‘Sweelinck’, hij behaalde hier zijn gymnasiumdiploma. Omdat hij veelvuldig tienen had gehaald in de loop van zijn schoolcarrière, was hij teleurgesteld dat zijn eindlijst uit louter achten en negens bestond.
Op zestienjarige leeftijd kreeg hij pianoles van Karel Hilsum, een van de bijzonderste mensen die hij ooit in zijn leven ontmoet heeft. Hilsum was over de zeventig toen Frederick bij hem klassiek piano begon te studeren, en bezat een immense passie en liefde voor de klassieke muziek benevens het talent deze over te brengen op zijn leerlingen. Door het grote verschil in leeftijd kwam Frederick in aanraking met een wereld die weliswaar uniek en weergaloos was, maar ook al in het verleden lag. Karel Hilsum had Rachmaninoff live recitals in het Concertgebouw te Amsterdam horen spelen (met eigen werken), evenals Béla Bartók en Arthur Rubinstein.
Onder Hilsums leiding bereidde Frederick zich voor op het Staatsexamen voor Muziek B. In 1989 slaagde hij hiervoor. Muziektheorie had hij gestudeerd bij Coby Spigt en muziekgeschiedenis bij haar broer, de klavecinist Jaap Spigt.
Reeds als kind was Frederick aan het componeren geslagen, zo schreef hij stukken voor piano met titels als ‘Vogel en karbouw’, ‘Danse Macabre’ (een pianostuk in 5 delen dat 50 minuten duurt, voltooid op 14-jarige leeftijd), Perpetuum mobile (Brasmelia), Zigeunerdans, Muziekfontein (6 rag- en jazz-stukken), Elfenwereld en Joker.
Composities van hem werden later uitgegeven bij Red Frog Music en Bronsheim Muziekuitgeverij. Enkele van zijn composities werden verkocht bij Broekmans & Van Poppel.
Zijn pianostudie zette hij voort bij Herman Uhlhorn en Alexander Warenberg aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht (Utrechts Conservatorium) na inleidende lessen ten huize van de directeur –Ton Hartsuiker- te hebben genoten. Hij breidde zijn repertoire uit met veeleisende pianowerken als de Toccata van Schumann en de Vierde Sonate van Skriabin.
Na succesvol eindexamen Uitvoerend Musicus te hebben gedaan, studeerde hij nog verder in het buitenland: bij Ivan Klánsky in Praag en France Clidat in Parijs. Hij auditeerde voor een beurs in Parijs: Frederick was de enige Nederlander die toegelaten werd.
Hierna begon hij voor zichzelf: hij nam een pianolespraktijk over in Almere en begon een eigen praktijk in Amsterdam, waar hij inmiddels op een woonboot woonde. Hoewel zijn leerlingen amateurs waren, zette hij toch een lesmethodiek voor ze op om hun spel goed vooruit te helpen. Hij ontwikkelde pianodiploma’s alsmede de eisen hiervoor (de leerlingen moesten naast pianospel ook enige muziektheoretische kennis hebben en wat solfège kunnen). Voor een jury –die bestond uit enkele door Frederick uitgenodigde collega’s- moesten zij dan hun eenvoudige stukken ten gehore brengen. Het resultaat van dit alles was dat Fredericks leerlingen een behoorlijk goed niveau bereikten.
Zelf speelde Frederick huisconcerten, concerten in musea, in verzorgingshuizen voor senioren en in concertzalen.

In 2000 emigreerde hij naar Duitsland: hij vestigde zich in Weimar, de stad waar zowel Goethe, Schiller als Liszt hebben gewoond. Samen met zijn toenmalige echtgenote zette hij aldaar het Klaviersolistenduo Champiano op, een leuke formule om klassieke muziek toegankelijk te maken voor een breed publiek. Afwisselend speelden de beiden solostukken en stukken voor vierhandig; Frederick verzorgde tekst en uitleg bij de stukken, doorspekt met aardige anekdotes. Zo concerteerden zij in de Kaisersaal Erfurt, het Congress Centrum Suhl, het Robert-Schumann-Haus te Zwickau, maar ook op kerstfeesten en bij dansgelegenheden.
In 2006 keerde Frederick naar zijn vaderland terug en speelde hier te lande veel concerten voor senioren, revalidanten maar ook voor verstandelijk gehandicapten.
In Duitsland had hij –ook met andere instrumentalisten- deze laatste publieksgroep leren kennen en hij vond het een bijzonder publiek. Dat deze specifieke mensen ook onvoorspelbaar en gevaarlijk kunnen zijn, ondervond hij aan den lijve in Nederland. Tijdens een dinerconcert in een inrichting voor verstandelijk gehandicapten in de buurt van Den Haag stond een jonge mannelijke patiënt tijdens het concert plotseling op en nam bruusk een mes van tafel. Met het mes in de hand kwam hij doelbewust op de concerterende Frederick toe. Die kon dit alles niet zien omdat hij met zijn rug naar de patiënt toe zat. Bovendien was zijn focus gericht op het veeleisende stuk dat hij aan het spelen was, dus voelde noch hoorde hij de man naderbij komen. Oplettende verplegers grepen in en alles liep met een sisser af.

In zijn vrije tijd hield Frederick zich een tijdlang bezig met de wereldreligies en –filosofieën. Hij vermocht niet te begrijpen waarom mensen zich elkander het hoofd insloegen om redenen van toevalligheid. Want, zo dacht hij, als ikzelf niet in Nederland geboren was, maar in India, dan was ik niet christelijk opgevoed, maar mogelijk als hindoe. Bovendien besefte hij dat grote wereldreligies en –filosofieën alle hetzelfde nastreven: in vrede en harmonie leven, met respect voor jezelf en je naaste, wetende dat je naaste er niet dezelfde denkwijzen op na houdt als jij, maar vermogende dit te appreciëren als een blijk van de diversiteit van de menselijke geest en het menselijk karakter.
Op latere leeftijd ontwikkelde hij een voorliefde voor het taoïsme en begon hij de geschriften van Meester Zhuang te lezen en te herlezen. Het mooie van het taoïsme vond hij dat het geen wraakzucht kent, maar alleen ontwikkeling van het Zelf.
In 2008 begon hij –toen 42 jaar oud- met het schrijven van Sprookjes, allereerst over Kabouter Knabbelkoekie©. Het waren miniatuurboekjes ter grootte van een vierkante creditcard opgeluisterd met potloodtekeningen van Frederick. Zo ontstond in het brein van Frederick langzamerhand een wereld die hij ‘Nieuwe Sprookjes’ noemde, een wereld waarin lieve en vriendelijke Sprookjeswezens als Kabouter Knabbelkoekie© een plek vonden, maar ook geniepige, vileine Heksen. Inmiddels schrijft hij aan zijn 57ste Heksentrilogie en ontwierp en verwezenlijkte hij werelden als De Tuin van De Eeuwige Nacht, dat geënt is op het magisch-realisme en Dromen uit De Hel, dat een vorm van surrealistische horror is.
In 2017 besteedde hij veel tijd aan het catalogiseren van alle Sprookjeswezens (te vinden onder Magisch Woordenboek).
In de jaren 20015-2017 hield hij zich intensief bezig met de Nederlandse taal, met als enige doel de emotie die hijzelf in zijn hart en ziel voelde middels taal te kunnen overbrengen op een ander. Frederick heeft erg veel moeite gedaan om zijn talent en intelligentie in te zetten om de magie die hijzelf wist te ervaren zó in taal te vatten dat een ander mens eveneens betoverd zou raken.
Sinds 2018 geeft hij Nederlands voor anderstaligen bij een maatschappelijke organisatie in Amsterdam. Het onderdeel Sprookjes heeft hij geïntegreerd in zijn lessen, want leren Nederlandse kinderen niet ook een goed deel van de Nederlandse taal doordat zij voorgelezen worden?
Frederick Haverkate is de kunstenaarsnaam van Freek Herbert Haverkate; Frederick wordt uitgesproken als het Oudnederlandse Frederick (in de middeleeuwen schreef men ‘ik’ als 'ick').