De Weerwolf

Geschreven door Frederick Haverkate
Alle rechten voorbehouden
Copyrighthouder: F. Haverkate/Nieuwe Sprookjes

Vanaf 14 jaar

Jan Goedendag woonde alleen. Al jaren. Zijn huis was afgelegen en bezoek kwam er sinds de dood van zijn vrouw niet meer. Hij had slechts zijn twee honden: Raffi en Stier. Stier was de grootste van de twee. Raffi de meest speelse. Maar daar hield Jan niet van. Raffi kreeg er dan ook regelmatig van langs: “Hier, pak aan, vuile rothond!”, schold Jan en sloeg hem met zijn stok. Met de staart tussen de poten kroop Raffi dan in de hoek.
‘Vond de baas zijn spelletjes niet leuk?’ Hij wilde toch alleen maar spelen! Springen, ravotten, en om ‘t hardst rennen! Maar steeds weer kreeg hij slaag.
En Raffi hield op met speels te zijn. Hij werd stil en braaf.
Maar vanbinnen werd hij zwart en bitter. En zon op wraak!

ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ

“Ik vraag het hier maar even, Tas,” zei John van Erven.
Natasja wachtte in de auto.
Het was al laat op de avond en er waren geen mensen op straat. Dus belde John ergens aan. Een vriendelijke vrouw deed open.
“Dag mevrouw,” zei John beleefd “Wij zijn op zoek naar Hotel Bosrand! Weet u waar dat is?”
“Dat is aan de andere kant van het bos!”, zei de dame.
“Kijk, als u hier de Dorpsweg uitrijdt, dan neemt u rechts de Donkere Laan. En die brengt u het bos in! Dan rijdt u gewoon het bos door en helemaal aan de andere kant bevindt zich Hotel Bosrand.”
“Fijn. Dank u wel mevrouw!”

“We moeten het hele bos door, Tas,” zei John, die weer achter het stuur ging zitten.
“Sjees. Ik hoop niet dat de auto het begeeft!”
“Ach, dat is een braaf beessie. Al meer dan tien jaar trouwe dienst!”
“Dat is precies wat ik bedoel, John,” zei Natasja, die zich niet helemaal gerust voelde. “Nou, het zal wel gaan,” deed ze flink.
En ze dacht: ‘Ik wil toch echt niet in een donker bos stil komen te liggen. John is ook niet zo’n held.’ ‘Vrouwen zijn vaak dapperder dan mannen,’ gingen haar gedachten door, ‘Mannen doen wel stoer, maar als puntje bij paaltje komt, heb ik in een nachtelijk bos liever mijn beste vriendin aan mijn zijde.’ Maar ja, die was er niet. Dus moest ze het samen met John opknappen. John ree’ inmiddels de Donkere Laan in. Het ging ook allemaal wel. Het autootje tufte dapper voort. John was stil. Had zeker gemerkt dat ze in gedachten was. Nou, dat was wel goed zo. Je hoeft niet aldoor te praten. Een beetje rust op z’n tijd… Daarom hadden ze er ook even tussenuit gewild!
Altijd maar werk, en vrienden… Op een gegeven moment leek alles werk! Zelfs met vrienden uit eten gaan! Het was ze gewoon een beetje te veel geworden. Tijd voor elkaar vonden ze zo ook nooit. De laatste keer dat ze intiem waren, was… hoelang geleden? Ze moest echt gaan zitten rekenen. En werd er een beetje depri van.
“Zeg schat!”, zei John, “Ik heb er echt zin in, weet je! Zie je dat bos hier? Ja, je ziet er nu niks van, want het is donker. Maar morgen! Volgens mij kun je hier fantastisch wandelen! En het is allemaal doodrustig. We kunnen nog wel meer doen dan wandelen!” Hij legde zijn hand op haar been, streelde zachtjes. ‘Dat was zo lief!’, dacht ze, terwijl ze hem van opzij op de wang kuste.
Voor ze er erg in hadden, waren ze het bos al door. En dáár lag Hotel Bosrand, sfeervol verlicht: overal lieve kleine lampjes. Opgelucht haalde Natasja adem. ‘Nou, dat zag er goed uit. Het werd toch nog leuk en gezellig allemaal.’ Ze checkten in, John haalde zijn creditcard tevoorschijn.
“O, die hebben we niet gelijk nodig hoor!”, zei de receptioniste, “We zijn het Hilton niet! Hier gaat alles nog gemoedelijk en op vertrouwen. Gaat u eerst maar lekker slapen! Of had u nog een hapje willen eten?”
Natasja’s lege maag knorde nauw hoorbaar.
“Nou, als dàt zou kunnen…”, zei John.

“Natuurlijk! Een echt diner zal het niet worden, want de keuken is dicht. Maar ik kan een kaas/worst-plateau voor u maken. Met diverse broodjes. En als u wilt een fles rode wijn. Dan gaat u lekker in de lounge bij de open haard zitten. Er is nu verder toch niemand meer.”
John en Natasja waren erg blij met de welgemeende vriendelijkheid van de gastvrije vrouw. Ze bedankten haar uitgebreid en namen plaats op een heerlijk bankje bij de open haard. Tas vlijde zich tegen haar vriend aan: ‘Dit was pas leven! Bijkomen, ontspannen, zijn warmte voelen…’ John had het evenzo naar z’n zin. Als spoedig klonken ze op hun liefde met een heerlijk glas wijn!
Ze werden goed verzorgd. De broodjes bleken warme kadetjes, maar er was ook Duits zuurdesembrood waar John zo gek op was.
Emmentaler, gruyère, trappistenkaas, roquefort… En dan nog worst: Duitse schapenworst die van de boerderij van haar broer kwam, zo vertelde de gastvrouw; salami, peperpaté en Spaanse fuet. Verzaligd namen ze de tijd voor het maal, en voor elkaar, hun ogen glinsterden zacht in de weerschijn van het vuur.
“Ik denk dat we hier een heerlijke week gaan hebben,” zei John, “ook om iets wat je nog niet weet.”
Natasja huiverde even, en vroeg: “Wat dan?” “Ze hebben hier niet alleen een zwembad, maar ook een saunawereld.”
“Hmm”, zei Tas verlekkerd, hoewel ze even aan iets anders had gedacht.

ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ

De volgende dag maakten ze een stevige wandeling na het ontbijt. Toen de sauna in en daarna trokken ze zich terug op de kamer. Voelden elkaar sinds lang weer uitgebreid. Konden echt de tijd voor elkaar nemen.
‘s Avonds was er een verrukkelijk maal. Niks buffet, alles à la carte, een fles Marques de Càceres erbij… Rozig van de wijn zei John tegen zijn geliefde: “Het wordt inderdaad een heerlijke week. Ook om iets anders wat je nog niet weet!”
‘Was dit een spelletje?’, vroeg Natasja zich af. Dat moest hij niet te vaak doen. Ze moest steeds spontaan aan hetzelfde denken.
Maar deze keer was haar spontane gedachte terecht. John toverde een klein zwartfluwelen doosje uit de binnenzak van zijn jasje en drukte zijn vriendin een innige kus op haar lippen. Tas’ ogen werden vochtig: het was een verlovingsring. En wat voor een! Platina met twee diamanten!
“Diamonds are forever”, fluisterde John haar toe, “Will you be mine forever?”
Natasja lachte Ja met haar ogen en zei Yes met haar lippen. Pas enkele tellen daarna deed haar stem het weer: “Ja, ik wil voor altijd de jouwe zijn!” Ze hadden een romantische nacht en konden hun geluk met elkaar niet op. De volgende dag waren ze de hele dag binnen. Sauna, zwemmen, uitgebreid tafelen, minnen…
‘s Avonds zei John: “Zeg Tas, zullen we toch nog een avondwandelingetje maken? Even frisse lucht snuiven?”
“Maar het is al bijna donker!”
“Ik bescherm je wel,” zei John. Voor ‘t eerst zei hij dat zo diep en gevoeld, dat Tas zich volledig aan hem overgaf.
Ze liepen het hotelterrein af, met vóór ze het ruiterpad en links de Donkere Laan. John leidde zijn verloofde naar links. Het leek of hij gegroeid was in moed en mannelijkheid. Natasja had haar arm ingestoken en leunde met haar hoofd op zijn schouder. Het was fris hier.
“We lopen een klein stukje het bos in. En dan hetzelfde bosweggetje weer terug,” zei John. Een beetje bang werd Tas. Het was hier werkelijk donker. Maar het viel allemaal wel mee. John voelde krachtig aan en ze wist steeds meer dat ze hem kon vertrouwen.
INEENS hoorden ze een woest geblaf, gevolgd door een schreeuw en angstwekkend gegrom.
“Wat was dat?”, fluisterde Natasja, hees van angst. Haar ogen stonden plotseling wijdopen, maar ze zag helemaal niets! Alles was zwart.
John leidde haar snel terug… de bosweg uit, richting hotel. Hij kon zich nu even niet permitteren om zelf bang te zijn. Eerst zijn verloofde terug naar het hotel brengen.
Pas daar ontspanden ze allebei. De gastvrouw zag de schrik in hun ogen en vroeg wat er aan de hand was. John vertelde.
“Ja,” zei de vrouw, “Er lopen hier soms honden los.”
“Het klonk erg vreemd voor een hond,” zei John.
“Het spijt me, ik vertelde je niet alles. Het is vermoedelijk een hondsdolle hond. Twee maanden geleden is er een ongeluk gebeurd.”
“Een ongeluk?”, vroeg Natasja zacht.
“Ja, een ongeluk.”
Natasja kon bijkomen met een glas cognac voor de open haard, maar John wilde er wel het fijne van weten. Hij liep de vrouw na en vroeg verder. Toen kwam het eruit. De vriendelijke gastvrouw begon licht te trillen en vertelde: “Het was afschuwelijk. Een man liep ‘s avonds door het bos, een dorpsbewoner. Ik kende hem niet zo goed. Hij is verscheurd door een hondsdolle hond! Echt verscheurd, in stukken gereten. Zijn hoofd is losgekomen van zijn romp. Ze hadden aanvankelijk de grootste moeite met de identificatie. Sindsdien is onder dorpsbewoners de sage van de weerwolf weer opgeleefd.” John dankte de vrouw voor de informatie en hield tegenover Natasja wijselijk zijn mond.

ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ

Een paar dagen bleven ze vooral binnen. Het was er sowieso fijn. Sauna en zwembad gaven geen ruimte voor verveling. Maar na drie dagen wilden ze toch echt wel weer wat frisse lucht snuiven. Bovendien was het middag, volop licht. Ze liepen wat over asfaltwegen, vergaarden moed en durfden uiteindelijk ook het bos weer in…

ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ

…Hetzelfde weggetje als toen. Nu liepen ze wat verder. Het was licht, ook in het bos was er genoeg licht en dat gaf een veilig gevoel.
Dus liepen ze door. Het was aangenaam buiten te zijn en het bos rook zo fijn. Toen een BLAF, gevolg door een kreet: “RAFFI! HIER!!!!!!!”
Jan Goedendag was het bos ingelopen met zijn hond. Stier was wel rustig, maar hij moest en zou die vuile Raffi e’s een keer mores leren. Dus was Jan er alleen met Raffi op uitgetrokken.
Baas en hond stonden tegenover elkaar.
John en Tas zagen ze nu. De hond gromde, de baas gaf hem er van langs met de riem: “JIJ VUILE ROTHOND! IK ZÀL JE!”
“Hé!”, riep John, “Doen we even rustig aan?”
“Hou jij je d’r buiten! Ik ben mijn hond aan het opvoeden.”
“Dat is geen opvoeden. Dat is gewoon slaan!”
“John,” zei Tas terwijl ze hem bij de arm greep.
Raffi’s bek was wit van schuim. Jan sloeg opnieuw op hem in. Trapte hem waar hij hem maar raken kon.
John liep erop af.
Toen gebeurde het. Niet tegen zijn baas keerde Raffi zich, maar tegen de verloofde van Natasja!
De hond sprong op hem af, en beet hem waar hij maar kon. Bloed stroomde al snel van Johns gezicht. Natasja werd gek van angst en liep ernaartoe.
“Weg jij,” siste Jan Goedendag, “Je vergalt me mijn pleziertje!”
En hij gaf Natasja een harde klap in het gezicht.
John van Erven lag op de grond, Raffi op hem. Mos werd rood. De laatste gedachten van John waren: “Hoe kan die hond zo sterk zijn?! Dat kan niet! Ik moet dit winnen!”
Maar hier was geen winnen. Hier was alleen maar verliezen.
Natasja was krijtwit geworden. Op het moment dat ze in de gaten kreeg dat het ècht mis ging, zette ze het op een lopen… naar de bewoonde wereld.
Maar Jan Goedendag had haar allang in de gaten. “Wat wou jij gaan doen? Je denkt toch niet dat ik een ooggetuige zomaar vrij laat lopen?” Ontzet van angst staarde Natasja in de wrede ogen van de man. Toen voelde ze een slag. PIJN! Nog een slag. Steeds meer slagen. Ze viel. Vocht terug. Het mocht niet baten. Raffi stond ter zijde. Razend was de hond. Hij haatte zijn baas, maar hij dorst niet tegen hem. De hond gromde. Zag de mensenvrouw op de grond liggen. Raffi sprong. Tegen z’n baas op. Hij beet Jan Goedendag naar zijn einde. Natasja lag bewusteloos op de grond. Raffi likte haar gezicht.
Enige uren later waren boswachter en politie ter plekke. Een ambulance werd gebeld. En geïnformeerd. De ziekenauto vloog over de weg en het bospad, en was onwaarschijnlijk snel bij de gewonde vrouw. Natasja werd in het ziekenhuis goed behandeld. Raffi werd afgemaakt.
De lichamelijke wonden van Natasja waren weldra geheeld. Maar het kostte haar nog vele jaren voor ze er geestelijk weer bovenop kwam.

Noot van Frederick: 'Momenteel speel ik met de gedachte om dit korte verhaal verder uit te werken. Het zou dan een lang verhaal of een novelle worden waarbij het bovenstaande de aanzet is. Raffi zou lijden aan rabiës (hondsdolheid) en John van Erven zou aan het einde niet sterven maar door de beten van Raffi veranderen in een weerwolf. Natasja zou slechts langzaam in de gaten krijgen dat het gedrag en het uiterlijk van haar verloofde verandert.'

EINDE MOOI VERHAAL VAN FREDERICK

Geschreven door Frederick Haverkate
Alle rechten voorbehouden
Copyrighthouder: F. Haverkate/Nieuwe Sprookjes

Alle rechten voorbehouden. Niets uit dit werk mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door printen, opnemen of op enig andere manier, zonder voorafgaande toestemming van F. Haverkate/Nieuwe Sprookjes. Het is toegestaan overeenkomstig artikel 15a van de Auteurswet gegevens uit dit werk te citeren in artikelen, scripties en boeken, mits de bron op duidelijke wijze wordt vermeld, alsmede de aanduiding van de maker/copyrighthouder van dit werk.

Het Lijk

Geschreven door Frederick Haverkate
Alle rechten voorbehouden
Copyrighthouder: F. Haverkate/Nieuwe Sprookjes

Vanaf 14 jaar
(bevat grof taalgebruik)

1.
Sem en Daan waren er de hele winter mee bezig geweest. In het schuurtje in de tuin van Daans ouders, de plek waar Daans vader modelscheepjes bouwde. Maar dat deed ie alleen in de zomer, want ‘s winters was het er berekoud.
“Wat doen jullie toch de hele tijd in het schuurtje?”, vroeg de moeder van Daan weleens, “Jullie vingers zullen nog bevriezen!”
“Ja, dat kunnen we niet zeggen hoor. TOP SECRET!” Als Daans vader ‘s avonds thuiskwam, waren ze soms nog bezig. “Zeg, zijn jullie een aanslag aan het voorbereiden? Ik heb toch geen terrorist van je gemaakt, knul?”, zei de vader van Daan, terwijl hij boksend met zijn zoon stoeide. Daan lachte en gaf hem een stomp in zijn maag; hij was gèk op zijn vader, maar DIT mocht ook hij niet weten!!!
Sem kwam uit een familie van wetenschappers en intellectuelen: zijn vader werkte als chemicus bij een groot concern en zijn moeder had Nederlandse taal- en letterkunde gestudeerd. Zijn oom was hoogleraar biologie en zijn andere oom was mathematicus. Sem had het weefsel voorbereid. Dat moest heel echt lijken. De basis was een pop. Die had Daan ergens op de kop getikt. Sem wist eigenlijk niet eens waar. Maar de pop was goed. Alleen nog niet menselijk genoeg. Daarom had Sem zitten experimenteren met weefselkweek. Hij wist door zijn vader en oom erg veel van biologie en chemie en hij was bovendien zelf hoogbegaafd. Het resultaat loog er dan ook niet om! Na maanden werk hadden ze een pop die eruit zag als een dode naakte man. Nu het bos in!

ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ

Op een avond dat Daans ouders naar een familiefeestje waren, was het zover. Met de bakfiets van een vriend van Sem, reden ze de pop naar het bos. Daar moesten ze hem lichtjes met aarde en blad inwrijven en verstoppen. Niet àl te goed natuurlijk, want hij moest wel ontdekt worden! Alles verliep volgens plan. Rechts van het bospad voerden ze in het schemerdonker hun werk uit. Er was gelukkig niemand, want ze maakten de indruk van twee volleerde criminelen! “Klaar!” zei Sem. Daan liep het bospad op en een stukje terug. Toen deed hij alsof hij een wandeling maakte en keek naar rechts. “MAN JOH!”, riep hij, “Dit ziet er zoooo ECHT uit. VET ENG MAN!!!” Sem ging ook kijken. Hij deed of hij een jogger was, om te kijken of het ‘lijk’ ook op deze manier nog zichtbaar was. En ja hoor! Met enige moeite, maar hij zag het wel. Zielstevreden dekten de guys hun ‘slachtoffer’ af en gingen naar huis. Ze wilden niet onnodig mensen aan het schrikken maken… nou ja… dàt wilden ze wel, maar ze wilden er wel zelf bij zijn, om na de schok de mensen te kunnen uitleggen dat het slechts een grap was.

2.
Nico was vroeg die dag. Dat was maar goed ook, want het werd nog steeds vroeg donker. Maar de winter was voorbij en hij kon weer buiten joggen. ‘Stukken beter!!’, dacht hij, omdat hij behoorlijk genoeg had van de apparaten in de sportschool. Rustig en steady jogde hij, onderwijl de zuivere boslucht inademend. Hij liep zijn vertrouwde route; die was altijd zonder mensen en niet langer dan een halfuur. Vandaag zou hij er misschien wat langer over doen, want hij moest er wel weer een beetje inkomen.
Caroline kon trots op hem zijn! Veel van zijn vrienden kwamen niet van de buis weg. (en sommige maar moeilijk uit de kroeg ook, trouwens!) Nee, dat was niks voor Nico. Hij wilde stoer en gezond blijven. Voor zichzelf, maar ook voor zijn vrouw. Als alles goed ging, en er over ruim een halfjaar gezinsuitbreiding kwam, dan wilde hij ook een sterke en gezonde vader zijn! ‘Hé, wat was dat?’ In een flits meende hij iets gezien te hebben… in de bosjes rechts. Even hield hij in. ‘Ach nee, hier gebeurt toch nooit wat. Dit is geen stad, geen dorp, maar een gehucht! Super-rustig en altijd vredig’ Hij liep door. ‘Maar toch…’, dacht hij. Hij was er bijna zéker van dat hij iets gezien had in het struikgewas. ALS er iets niet pluis was, dan moest hij natuurlijk wel even kijken! Stel je voor dat de politie er de volgende dag een lijk vond. Hij moest lachen bij die gedachte. In dit doodrustige dorp… Toch keerde hij om. Hij liep terug en keek nu links in de struiken. “JEZUS CHRISTUS!!!”, riep hij halfluid, "Daar lìgt iemand." Even snakte hij naar adem, toen dwong hij zichzelf tot bedaren te komen. Voorzichtig liep hij het struikgewas in, zijn adem inhoudend… 'Verdomd! Daar lag een man!' Heel stil en ook behoorlijk bang naderde hij het lichaam. Toen hij vlàkbij was, ging de rechterarm van het ‘lijk’ omhoog en hij hoorde een donkere stem zeggen: “Hallo!”
Nico viel bijna om van schrik. Sem hield het niet meer en begon te lachen. “Het is maar een grap, meneer! Nirwanasplit !” “Ja,” schaterde Daan nu ook, “Charons rit!” Nico schold de beide jongens de huid vol. Toen boog hij zich over het ‘lijk’. “Nou, ik moet zeggen… het is wèl knap gedaan.” “Ja! En hij lijkt wel een beetje op u ook!”, gniffelde Sem nog na.

3.
Een paar weken later jogde Nico weer in het bos. Het was zaterdagochtend, maar het woud was stil als immer. Even moest hij nog aan die gekke jongens denken. Ach ja… het idee was wel buitengewoon origineel! Maar om iemand nou zó de stuipen op het lijf te jagen… Caroline had er ook niet gelijk om kunnen lachen. Ze noemde het ‘een uit de hand gelopen studentengrap’. Terwijl hij de jongens hooguit 15 en 16 schatte.

Rennen was goed. Je gedachten zijn er wel, maar ze doen er minder toe. Eigenlijk is hardlopen een actieve vorm van meditatie. Nico kwam tot rust, tot zichzelf. Hij jogde voort en was nu bijna bij de plek waar hij toen het ‘lichaam’ in de bosjes gezien had.
Totaal onverwachts sprongen er twee mannen uit de struiken tevoorschijn. Een van hen hief zijn hand -met een stuk hout erin- op en sloeg toe. Het ging zo idioot snel, dat Nico de klap had gekregen en buiten westen raakte voor hij er erg in had. “Snel, zijn buiktas!”, siste de man. De ander greep de buiktas van Nico. Maar die zat goed vast. Door het gesjor en de pogingen de sluiting van de tas te vinden, kwam Nico weer bij. “Hé, godverdomme!”, riep hij en hij sloeg  zijn belager in het gezicht. Maar de eerste man gaf hem nogmaals een houw met het stuk hout. Nico kon de slag slechts ten dele ontwijken. Tegen twee man kon hij evenwel niet op: de tweede kerel sloeg hem met een knuppel van achteren in zijn nek. “Ik ken je gezicht, klootzak!”, siste Nico, terwijl hij weer op de grond viel. Met zijn rechtervoet op Nico’s buik drukkend, hield de een hem onder controle, terwijl de ander in alle rust zijn buiktas losmaakte. “Wat doen we met hem, Ab?”, zei de man toen hij de tas eindelijk in zijn handen had. “Maak hem koud!”, luidde Abs antwoord. “Jezus Ab, wat zijn we.. penose?” “Hou je bek, Kai! Pak dan gewoon de poen van die hufter en dan smeren we ‘m!”
Maar het ging anders dan Ab en zelfs anders dan Kai zelf verwachtte. Kai pakte het geld en gooide het naar Ab, keek vervolgens naar Nico, voelde een ook voor hemzelf onverwachte intense irreële haat in zich opkomen en begon op de op de grond liggende Nico in te slaan. Niet één keer en ook niet tien keer. Hij blééf slaan. “KAI!!!”, riep Ab, “KAPPEN!!!" Maar Kai sloeg door. "Hij is al dood, man!", schreeuwde Ab, "Je hep ‘m totaal gemold, hij is morsdood!”
Toch bleef Kai op Nico inslaan en –trappen. Ab greep z'n maat beet en voerde hem weg. Toen verborg hij het lijk in de bosjes. Snel en haastig. Nico’s hoofd was vrijwel geheel verbrijzeld door de slagen, zijn benen staken onder het struikgewas uit. Vlug ontdeed Ab Nico’s levenloze lichaam nog van diens sportkleding. Die kon hij nog wel te gelde maken!

4.
Sem liep door het bos. Hij voelde zich hier nooit zo prettig, maar het was nu eenmaal de snelste weg naar zijn vriendinnetje Chloë. Nu passeerde hij de plek waar hij toen met Daan hun pop had verstopt. Wat was die man geschrokken, zeg! Veel erger dan ze hadden gedacht. Het speet hem wel een beetje en zijn ouders waren ook razend geweest! Nou ja, gedane zaken nemen geen keer. Jammer dat ze niet wisten wie die meneer was. Zijn ouders wilden dat hij zijn excuses ging aanbieden. En dat wilde hij zelf eigenlijk ook wel.
Dapper liep Sem voort. Zàg hij daar iets? Daar in de struiken? Onwillekeurig moest hij lachen. "Zeker een lijk," gniffelde hij. Hij keek... en ja hoor: een dooie! ‘Daan leert het ook nóóit zeg! Zit ie daar in z’n eentje met die pop!’ Sem liep nietsvermoedend van het bospad af, de struiken in. Ja hoor, hij zag het al aan het onderlichaam: dat was HUN pop! “Hé, Daan!”, riep hij, “Je weet toch wat je vader gezegd heeft! Herinner je je niet hoe kwaad hij was? En anders die van mij wel! DAAN!” riep Sem. Niets bewoog, er kraakte nog geen takje.
“Hé, DÁÁ-ÀÀN!!!”, riep hij nog een keer luid. Stilte alom. “Ik wéét dat je er bent! Kom maar tevoorschijn!”
Sem knielde bij het lichaam neer. Hij voelde aan de benen. Gek, dat voelde toch anders. Hij haalde takjes en groen weg om het gezicht te kunnen zien. Het zwaar verminkte gelaat van Nico werd zichtbaar. Langzaam vermocht Sem uit zijn gehurkte houding overeind te komen. De jongen begon te trillen. Eerst zijn handen. Toen zijn benen. Tot hij over zijn hele lichaam trilde. Hij was niet meer in staat te denken. Hij stond aan de grond genageld.

ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ

De politie te paard nam het bospad. “Werken bij de bereden politie is zo slecht nog niet,” zei Peter tegen Janine. “Klopt!”, antwoordde zijn collega, die blond haar en een heldere oogopslag had “Alleen die voorbereidende tijd bij de ME was echt zwaar!” “Ja. Maar dat is het nu soms ook nog!” Dat beaamde Janine. “Kijk, Peter, een jongen! Dáár… aan de rand van het pad!”
Beiden zagen ogenblikkelijk dat er iets grondig mis was. Ze stegen af en vonden Sem. “Hij is in shock. Bel een ambulance!”, zei Peter die Sem beetpakte en hem voorzichtig neerlegde op de grond. In afwachting van de ambulance bleven Peter en Janine met Sem praten. Sem reageerde niet. Peter had het lijk inmiddels ontdekt en politionele versterking opgeroepen. Tien minuten later was het anders zo stille bospad bevolkt met hulpverleners en auto’s met zwaailichten.

ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ

Sem kwam bij in het ziekenhuis. Al snel kreeg hij bezoek van zijn ouders. Maar de eerste bezoeker die ter plekke was, was Daan. Daans ogen stonden vol tranen, toen hij Sem zag en hoorde wat er gebeurd was. Na een week mocht Sem naar huis. Zijn herstel verliep voorspoedig; wel stond hij nog enige maanden onder psychologische begeleiding.

EINDE MOOI VERHAAL VAN FREDERICK

Geschreven door Frederick Haverkate
Alle rechten voorbehouden
Copyrighthouder: F. Haverkate/Nieuwe Sprookjes

Alle rechten voorbehouden. Niets uit dit werk mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door printen, opnemen of op enig andere manier, zonder voorafgaande toestemming van F. Haverkate/Nieuwe Sprookjes. Het is toegestaan overeenkomstig artikel 15a van de Auteurswet gegevens uit dit werk te citeren in artikelen, scripties en boeken, mits de bron op duidelijke wijze wordt vermeld, alsmede de aanduiding van de maker/copyrighthouder van dit werk.

De Meeuwenhater

Geschreven door Frederick Haverkate
Alle rechten voorbehouden
Copyrighthouder: F. Haverkate/Nieuwe Sprookjes

Vanaf 12 jaar
(bevat in lichte mate grof taalgebruik)

De dolle mens. Hebt gij niet gehoord van de dolle mens, die op klaarlichte morgen een lantaarn opstak, op de markt ging lopen en onophoudelijk riep: "Ik zoek God! Ik zoek God!" - Omdat er daar juist veel van die lieden bijeen stonden die niet aan God geloofden, verwekte hij een groot gelach. "Is Hij soms verloren gegaan?", vroeg de een. "Is Hij verdwaald als een kind?", vroeg een ander. "Of heeft Hij zich verstopt? Is Hij bang voor ons?" "Is Hij soms scheep gegaan? Met de boot naar het buitenland vertrokken?" - Zo riepen en lachten zij door elkaar. De dolle mens sprong midden tussen hen in en doorboorde hen met zijn blikken. "Waar God heen is?", riep hij uit, "Dat zal ik jullie zeggen! Wij hebben Hem gedood - jullie en ik! Wij allen zijn Zijn moordenaars!”
(“De dolle mens”, Uit: Die Fröhliche Wissenschaft, De Vrolijke Wetenschap 1882, van Friedrich Nietzsche)

“Christus heeft niet alleen tot ons gesproken door Zijn leven, maar ook door Zijn dood.”
(Søren Kierkegaard)

“Indien God niet bestond, dan zou men Hem moeten uitvinden.”
(Voltaire)

“Waarom zijn wij God kwijt? Omdat we onszelf verloren zijn. Omdat wij dat deel van ons dat God is niet meer ontwikkelen.”
(Schoenaerts)

“God ziet de zwarte mier kruipen over een zwarte steen in de zwarte nacht.”
(Arabische Wijsheid)

“Zoals de atheïst tegen God zei: "Je bestaat niet en ik haat je."”
(Hannah Green)

1.
Abraham Le Sévère was groenteboer in Amsterdam. Groentejuwelier, noemde hij zich de laatste tijd. Niet zonder reden. Behalve alles wat er op groente- en fruitgebied te krijgen was, verkocht hij ook veel kant-en-klare hapjes, salades en wat dies meer zij. Hij was trots op zijn zaak en hij had een trouwe en uitgebreide klantenkring.
Maar zijn zaak had hij verkocht; zijn vrouw had hier eindeloos om gevraagd; zij wilde een huis in Egmond aan Zee kopen en daar –met uitzicht op de golven- genieten van hun oude dag. Abraham had er niet veel zin in; het leek hem stomvervelend en oersaai. ‘tuurlijk, de zee was mooi, rustgevend, oneindig en groots, maar wat moest hij daar mee? Hij was groenteboer, geen dichter! Hij hield van het contact met zijn klanten, je kunt wel zeggen dat dat vluchtig en oppervlakkig was, maar hij vond het leuk. Bovendien kende hij een aantal van zijn klanten toch behoorlijk goed. Er waren mensen bij die al meer dan twintig jaar in zijn zaak kwamen! Dat was gewoon familie geworden. Van hen had hij de verhalen over de huwelijken van de kinderen, de geboorte van kleinkinderen en het overlijden van naaste familieleden uit de eerste hand vernomen. Daar voelde hij voor; dat was hem meer waard dan die rustige watermassa, waar zijn vrouw zo gek op was. Ach ja, hij gunde zijn vrouw ook wel wat, natuurlijk. Ze hadden geen kinderen samen; waarom dat niet gelukt was, was eigenlijk onduidelijk. Adopteren hadden ze geen van beiden gewild. Niet alleen is dat een lange weg, zijn vrouw voelde er emotioneel ook niet voor. “Het is dan toch niet je eigen vlees en bloed,” zei ze altijd. Ze begreep wel dat mensen tot adoptie overgingen, maar het was niet voor haar weggelegd. Bram zat op een lijn met zijn echtgenote in dezen.
Dat nam allemaal niet weg dat hij inzag dat het voor zijn wederhelft een groot gemis was. Kinderloosheid is voor een man toch niet hetzelfde als voor een vrouw. En als hij zijn vrouw dan zo’n groot plezier met een huis in Egmond aan Zee deed, dan moest het maar zo zijn.

ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ

Opgewekt stapte Ilse Le Sévère het makelaarskantoor binnen. Ze zou vast eens even wat voorwerk verrichten voor haar lieve man Bram die akkoord was gegaan met de aankoop van een huis aan zee. Dolgelukkig was ze ermee! Een paleis zou het niet worden, hoewel Bram goed geboerd had, maar een kinderachtig klein huisje evenmin. Het gaf haar een diepe voldoening zich aan iets te kunnen wijden, ze ging er helemaal voor.

Ze bezocht het makelaarskantoor drie keer per week, maakte steevast notities op een groot blok en dronk haar koffie met veel melk en suiker nu niet meer met Bram, maar heel genoeglijk met makelaar Hans! Bram vond dat niet erg, hij was druk doende met alle verwikkelingen rond de verkoop van zijn zaken (in Heemstede had hij nog een goedlopend filiaal) en probeerde in de onderhandelingen met potentiële kopers natuurlijk het onderste uit de kan te halen. Niet alleen maar, want het ging hem niet alleen om het geld, hoewel hij dat erg belangrijk vond; hij lette ook op de mentaliteit en het karakter van de interessenten. Waren ze geschikt voor zijn specifieke clientèle? Hadden ze alleen maar verstand van groente en fruit, of hadden ze ook liefde voor het vak? Deze dingen hielden hem bezig, hij vond ze ook van belang.
Uiteindelijk werd zijn zaak verkocht aan een jongeman van 28 jaar: Chris Huf. Een sympathieke en hardwerkende kerel, die een lieve en mooie vriendin had. Volgend jaar zouden ze trouwen. Maar niet te snel, vond Chris voorzichtig: eerst de zaak overnemen, en kijken of hij het net zo goed voor elkaar kon boksen als Abraham.
De verkoop werd beklonken met een goed glas wijn in het nieuwe, ruime huis van de Abrahams in Egmond aan Zee. Ilse had het huis uitgekozen; Bram had eigenlijk alleen zijn handtekening gezet. Chris en Irene waren enthousiast over het fraaie huis met uitzicht op zee; bovendien waren het leuke, goedlachse mensen die de nog wat kale, ten dele met dozen gevulde woonkamer met hun jeugdig enthousiasme vulden. Een weldaad voor Bram en Ilse.

2.
De eerste tijd na de overname kwam Bram nog vaak langs in de zaak. Heemstede liet hij maar voor wat het was; die zaak had hem minder na aan het hart gelegen en hij had hem ook aan iemand anders verkocht. Hier had hij meer op geldelijk gewin geacht en gezegd mag worden: hij had een goede, nee uitstekende deal gesloten.
In Amsterdam –voor het jonge stel Chris en Irene die beiden in de zaak stonden- had hij meer moeite gedaan; hij had ze niet het vel over de oren gehaald en hij hielp ze ook in het zadel. Geen enkele klant bleef weg. Nu kwam dat natuurlijk omdat Bram in het begin nog vrijwel dagelijks in de zaak aanwezig was. Zo gaf hij iedereen –zichzelf incluis- de tijd om aan de nieuwe situatie te wennen, maar het duurde niet lang of de klanten hadden de nieuwe groenteverkopers in hun hart gesloten.
Het najaar erop werd Ilse Le Sévère ontevreden. “Blijf je ook nog eens een keer thuis, Bram? Het is nu een heerlijke tijd om lange strandwandelingen te maken. En jij blijft maar naar de zaak gaan. Je spendeert meer tijd in Amsterdam dan in Egmond! Of ben je soms verliefd geworden op Irene?”
Natuurlijk wist Ilse dat het laatste niet het geval was. Bram was altijd een trouwe echtgenoot geweest en hoewel hij –zoals iedere gezonde man- ook van de schoonheid van andere vrouwen kon genieten, hij zou er nooit zijn echtgenote om bedriegen. Maar wat moest ze dàn zeggen? Ze kreeg er genoeg van steeds in haar eentje in het grote huis te zitten, in haar eentje de hond uit te laten, met een vriendin koffie te drinken. Dat was allemaal leuk, maar ze wilde ook haar Bram aan haar zijde. Dat hoefde vanzelfsprekend niet voortdurend, maar nu was hij er nooit! Hij kon echt geen afscheid nemen van zijn groentewinkel. Bram knorde maar wat als antwoord op Ilses verwijten. Hij wist het wel, zijn vrouw was ontevreden over hem. Maar wat zeurde ze nou eigenlijk? Hij had haar droom van een mooi huis aan zee vervuld en nu was ze nog niet tevreden. Ja ja, hij zou wel wat vaker thuis kunnen zijn. Maar daar had hij een hekel aan: het strand liet hem koud, aan die als idioten krijsende meeuwen had hij een bloedhekel (waarom mensen dat in godsnaam lachen noemen? Krijsen was het enig juiste woord voor het afschuwelijke geluid van deze toch al afzichtelijke vogelsoort!), het huis vond hij te stil, en de gezelligheid van Amsterdam waar hij zo aan gewend was geraakt en die hij zo had lief gekregen, die vond hij bij Chris en Irene in de zaak. Dat liep goed daar, daar had hij zijn vrienden, daar was reuring, daar waren veel mensen om hem heen. Niet dat hij niet van zijn vrouw hield, maar ze kon zo zeuren, en doordraven. Dat had ze toch ook met dat huis gedaan; met hèm had ze geen rekening gehouden. Hij had niet onder stoelen of banken gestoken dat hij het een idee van niks vond. Maar daar had ze niet naar geluisterd, ze had alleen haar zin door willen drijven. Nou, dan kon ze zich ook best alleen vermaken! Medelijden had hij echt niet met haar; als het aan hem had gelegen, waren ze gewoon in Amsterdam blijven wonen, op loopafstand van de zaak. En dan had hij zijn zaak ook nog niet overgedaan, maar pas over een jaar of drie, vier. Hij was toch nog gezond en fit! Wat moet je dan de hele dag thuiszitten? Als je gezond bent, wil je werken, dat voelt gewoon beter. Ach ja, je hebt mensen die kunnen eindeloze strandwandelingen maken in de herfst, in de winter genieten van de open haard, in de lente weer die stomme wandelingen en ‘s zomers op het strand liggen bakken. Een leven voor nietsnutten en lapzwansen, vond hij dat!
Toch zat hij nu wel met de gebakken peren. Bij voorkeur Williams Bon Crétien. Die hoefde je niet te bakken, die smolten zó op je tong! Ach, hij was en bleef een groenteboer, in hart en nieren. Hij wilde wel veranderen, hij wilde uit liefde voor zijn vrouw zijn best wel doen, maar het ging hem bar slecht af. Wel bleef hij vaker thuis, deed hij moeite om opgewekt te zijn, maakte strandwandelingen met zijn vrouw, maar terwijl zij opgetogen naast hem liep, somberde hij maar voort, in gedachten bij Chris, Irene, de witlof, de wortelen, de peren en de appelen. In eerste instantie deed Ilse of ze niks merkte, maar na verloop van tijd ging het haar behoorlijk de keel uithangen.
“Zeg, dàn loop ik nog liever alleen! Een strandwandeling in m’n eentje van een uur geeft me altijd voldoening, maar een strandwandeling van een halfuur naast een stuk chagrijn als jij… daar word ik godverdomme zelf depressief van!”
Abraham schrok op; hij had zijn vrouw nog nooit horen vloeken. Dan moest het wel erg zijn!
“Ach schat,” zei hij meelevend en hij nam haar bij de arm, “Het spijt me, kind, maar ik ben zoals ik ben. Ik ben geen strandmens, en het was misschien een slecht idee om jouw wens te vervullen. Het lukt me niet om die wens ook tot de mijne te maken.” Ilse zuchtte. Ze wist het wel, maar naar en vervelend vond ze het ook. Ze had gehoopt dat Bram wel bij zou trekken, dat hij de schoonheid en ruimte van strand en zee wel zou gaan inzien, als ze er eerst maar eenmaal woonden. Ze was te optimistisch geweest! Bram trok niet bij, het werd alleen maar erger. Ze voelde zich rot en haar hart speelde weer op. Drie keer had ze een hartinfarct gehad, waarvan slechts één licht was geweest. Alle drie in korte tijd na elkaar. Dat was nu een paar jaar geleden. Ze voelde zich beroerd, keerde met haar arm ingehaakt terug naar huis, haar hoofd op Brams schouder geleund.
“Gaat het, lieve?”, vroeg Bram.
“Wintertijd,” zei ze zacht.
“De echte of die van jou?”, vroeg Bram die wist dat ze het woord wintertijd ook gebruikte om aan te geven dat haar klokje terugliep.
“Nee Brammetje,” fluisterde ze, “Het is mijn rikketik.”
Bram leidde zijn vrouw met zorg naar huis. Toen wilde hij de dokter bellen.
“Nee,” zei Ilse, “Doe maar niet. Het gaat alweer.”
“Weet je dat nou wel zeker?”, vroeg Bram ongerust.
“Ja. Maak je een mok warme chocolademelk voor me klaar? Daar heb ik zo’n zin in.”
“Dat is goed.”
Bram begaf zich naar de keuken en deed cacaopoeder in een mok; toen zette hij melk op in een steelpannetje. Hij deed suiker bij de cacao, en een beetje water; toen roerde hij het mengsel zorgvuldig en liefdevol. Intussen hield hij de melk goed in de gaten en voordat die ging koken, nam hij het steelpannetje van het vuur en goot de hete melk voorzichtig in de mok. Roeren en klaar was kees.
“Wil je slagroom?”, riep hij naar de woonkamer.
Er kwam geen antwoord.
Bram riep nog een keer, maar er kwam opnieuw geen antwoord.
“Jezus!”, riep hij toen uit en hij snelde naar de woonkamer. Daar zat zijn vrouw, licht onderuitgezakt, het hoofd slap naast het lichaam hangend.
“Ilse!!”, riep Bram ontzet en hij schudde haar door elkaar.
Ilse schrok wakker. “Wat is er?”, vroeg ze slaperig.
“Och Jezus, kindje van me,” zei Bram met een zucht en hij ging naast haar zitten, “Ik dacht even dat je…”
Zijn ogen werden vochtig.
“Ach, jongetje van me,” zei Ilse en ze trok haar Bram naar zich toe, “Zo ver is het nog niet, hoor. We gaan eerst nog samen genieten. Zal ik morgen met je meekomen naar Amsterdam?”
Abraham schudde het hoofd, niet in staat een woord uit te brengen. Daarna zei hij: “Ik blijf hier. We gaan door de duinen wandelen. Dat deed ik als kind al met mijn vader.”
“Meen je dat? Dat heb je me nooit verteld!”
“Ja, toch was het zo. Mijn vader hield van wandelen, hij maakte altijd lange wandelingen met het gezin. Alleen… ik was het nakomertje. Voor mij waren de wandelingen gewoon te lang. Helemaal in het begin werd ik weleens een stuk gedragen door mijn pa, maar al snel vond hij me te zwaar. Dus toen moest ik lopen, lopen, lopen. Tot ik geen gevoel meer in mijn benen had. Ik voelde helemaal niets meer, eigenlijk. Dan wilde ik gaan zitten, maar mijn oudste broer verbood dat. Die was een tweede vader voor mij. Hij zei: “Als je gaat zitten, ga je je moeheid voelen. Dat mag niet, want dan wil je niet meer opstaan en we moeten door.”
“Vandaar dat je zo’n hekel hebt aan lange wandelingen.”
“Ja, dat zal het wel zijn. Eerlijk gezegd was ik me er niet van bewust, maar nu ik er zo over praat… het was behoorlijk afschuwelijk voor mij als kind. De rest van de familie liep te genieten, mijn broers waren al groot en krachtig, en ik hobbelde erachteraan; als ik geen pijn in mijn benen had, dan had ik er helemaal geen gevoel meer in. Een ellendige tijd.”
Ilse gaf haar man een kus: “Zo leer je mekaar nog eens kennen,” zei ze met een ondertoon van tederheid in haar stem.
“Ja, daar heb je gelijk in” zei Bram.

3.
De volgende dag bleef Bram in Egmond. Zijn vrouw voelde zich fit en ze maakten samen een strandwandeling. De bedoeling was een korte, maar Abraham kon niet meer ophouden! Voor het eerst ontspande hij zich, met zijn liefhebbende echtgenote aan zijn zijde en genietend van de Hollandse wind door zijn haren.
“Het is mooi hier, Illy,” zei hij, zijn vrouw bij haar koosnaam noemend, “Eindelijk kom ik een beetje tot rust.”
“Misschien had je daar ook tijd voor nodig; je bent altijd zo’n actief mens geweest, een echte doener. Een auto die 160 rijdt staat ook niet zo maar stil. Hij gaat naar 120, naar 80 en steeds een stapje verder terug. Wil je het niet een beetje afwisselen: morgen weer naar de zaak in Amsterdam?”
Bram keek haar dankbaar aan, want hoewel hij vandaag genoot, zag hij er wel tegenop om ditzelfde morgen weer te doen.
“Dat is goed,” zei hij, “Morgen naar Amsterdam. En jij, wat doe jij dan morgen?”
Zijn vrouw liet haar hoofd rusten op zijn schouder: “Niet zoveel, schat; ik kan niet zoveel meer, misschien had ik toch een licht hartinfarct gister.”
“Wil je dan echt niet dat ik de dokter bel? Het zou toch onverantwoord zijn dat na te laten!”
“Nee, doe het maar niet,” zei Ilse, hem niet vertellend wat zij al enige tijd voelde. Haar zou geen lang leven meer beschoren zijn. Dat wist zij zo zeker als zij de onmetelijke zee naast zich hoorde ruisen. Ze had niet kortelings een dokter geraadpleegd, maar haar gevoel was helder als glas. Wat zou een bezoek aan de huisarts haar opleveren? Behandeling op behandeling; ziekenhuis in, ziekenhuis uit, haar waarschijnlijk spaarzame laatste dagen tussen koude, witte muren verspillend. Neen, liever bracht ze de tijd die haar nog gegund was door aan zee, met Bram aan haar zijde zo vaak als dat kon.

ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ

In Amsterdam was het levendiger dan ooit, maar Bram genoot er niet zoveel van als anders. Hij voelde voor het eerst dat hij zijn vrouw miste. Dit was zijn plek niet meer; het was nu het domein van Chris en Irene. Tegen de middag reed hij naar Egmond.
“Zo snel al weg, Bram?”, vroeg Irene verbaasd.
“Mijn tijd hier zit erop, kind”, zei Bram “Ik heb genoten van iedere minuut in mijn groentezaak; ik ben dankbaar dat jullie het zijn die het van me overnemen. Maar alles is geregeld, de klanten zijn gebleven, en jullie redden het verder wel zonder mij. Mijn plaats is nu naast mijn vrouw. Die heeft toch al zo weinig aandacht van me gehad.”
Hij schokschouderde even, toen zei hij: “Wat moet je dan, als man? Je wil een succesvolle business opbouwen, daar geef je in wezen je leven voor. Dat kost tijd, energie, aandacht, zorg. En dan hadden wij nog niet eens kinderen! Kun je nagaan, hoe de situatie dan was geweest. Dan ben je behalve ondernemer en echtgenoot ook nog vader. Wie kan dat allemaal goed doen?”
“Ga maar,” zei Ireen, “Ik hoor het al. Bedankt voor wat je voor ons gedaan hebt hier. We komen nog weleens koffie bij jullie drinken in Egmond!”
Bram kuste haar en gaf Chris een hand. “Het ga jullie goed!” riep hij, ten afscheid met zijn pet zwaaiend.
Toen reed hij vlot naar huis. Zijn Peugeot bracht hem snel en veilig waar hij wezen wilde.

ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ

“Illy!!! Ik ben thuis!”, riep hij blij als een klein kind, “Ik ben wat eerder teruggekomen. Kunnen we nog een klein wandelingetje doen voordat we ons een avondborrel gunnen!”
In huis bleef het stil. Was Ilse weggegaan? Wellicht om een boodschap in het dorp.
“O, je bent er toch!”, riep hij vrolijk, toen hij zijn vrouw op de bank zag zitten. Enthousiast kwam hij naast haar zitten en stootte haar aan; Ilse viel opzij.
Pas toen kreeg Bram het in de gaten. Zijn vrouw had het leven gelaten.
Bleek van woede stond Abraham op: “Oh God, verduiveld nog aan toe, mijn God, mijn God, waarom doe je me dit op DIT moment aan?” Vertwijfeld stormde Abraham naar buiten, hij zwaaide als een bezetene met zijn vuisten richting hemel: “God, waar ben je? Waar heb jij je verschuild? Ik ZOEK je, hoor je! Ik roep je ter verantwoording! Ik zoek je, God! Waag jij het niet je te verstoppen voor mij! Waarom doe je mij dit aan? Ik heb me toch bekeerd! Ik heb toch ingezien dat mijn plaats in deze periode van mijn leven naast mijn vrouw is! En NU ontneem je mij haar! Ach God, ik heb al nooit in je geloofd, en nu geloof ik nog minder in je dan ooit tevoren. Ik haat je!”
Omdat er verder niemand was, geleek Bram een roepende in een zandwoestijn. Hij voelde zich ellendig, diepbedroefd en intens schuldig. Hij voelde zich ongelofelijk waardeloos, een slechte echtgenoot, een die zich had willen beteren maar hiertoe de kans niet meer kreeg.

ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ

God zag Abraham, zoals Hij alles ziet en iedereen geen moment uit Zijn oog verliest. God wist, zoals God weet. Hij wist dat het goed was zo. Hij wist ook dat Abraham dat niet wist. Maar hij had de kleine Bram zijn gevoel teruggegeven. En daarmee zijn leven. Hij had de kleine Bram zijn vrouw teruggegeven. En daarmee zijn levensgeluk. Was zijn vrouw fysiek niet meer aanwezig, zij was in de geest van Bram voor het eerst in diens leven ten sterkste present. Dat was Gods cadeau aan Abraham. Nu kon hij zijn vrouw pas werkelijk voelen, sterker, intenser dan hij ooit zou kunnen wanneer ze nog naast hem liep. God zag. En God zweeg.
Abraham keerde naar huis terug. Hij pleegde de noodzakelijke telefonades en viel erna als een blok in slaap. Hij droomde zacht, zoet, over hun vakanties op Kreta, over zon, feta en tzatziki. Over retsina, gegrilde vis en hun gelach in kleine Griekse bistrootjes, hun gelach om niets, enkel en alleen omdat ze vrolijk waren en van elkaar hielden. Vele engelen kwamen tot Abraham die nacht, om hem deze droom mogelijk te maken. De volgende morgen werd hij uitgerust wakker.

4.
Het was een week na de crematie. Abraham liep over het strand; het weer was redelijk, wel winderig, maar dat was aan zee altijd het geval. Het was hem droef te moede, zijn innerlijk vertoonde nog steeds zwarte plekken van bitterheid, haat. Krijsende meeuwen vlogen boven zijn hoofd. Alsof ze het erom deden! Hij balde zijn rechtervuist, sloeg naar een van de zilvermeeuwen en vloekte hartgrondig. Toen liep hij naar de duinen, beklom een helling, ging ongeoorloofd door helmgras en kwam in een duinpan terecht alwaar hij ging zitten. Hij mompelde boze en donkere woorden voor zich heen. Ook hier was hij niet veilig voor krijsende, gillende en lachende meeuwen. Een stormmeeuw scheerde over zijn hoofd, een grote stern kwam naast hem zitten; hij haalde uit, het dier vloog weg.
Toen pas bemerkte hij dat hij niet de enige mens was in deze duinpan; even verderop zat een klein meisje in het zand. “Waarom slaat u naar de meeuwen? Hebben ze u pijn gedaan?”
Abraham ontspande, hij zei: “Wat doet een kind zo klein als jij hier helemaal alleen?”
“Weggelopen,” antwoordde het meisje dat een jaar of zes moest zijn, “Mijn papa is soms erg gemeen. Dan slaat hij mij, net als u de meeuwen.”
Abrahams bitterheid smolt weg, zijn zwarte boosheid werd door dit kleine kind als het ware omgesmeed tot witte sneeuw, tot zacht zand.
Hij ging naast haar zitten: “Kindlief, je vader blijft je vader, ook als hij gemeen tegen je is. Het is niet goed dat een vader zijn kind slaat, maar toch gebeurt het soms. Vaders zijn ook maar mensen, met hun eigen wensen en beperkingen, hun goede en slechte eigenschappen, dingen die ze fout deden in hun leven, dingen die ze goed deden…”
“Zegt u dat ook tegen uw eigen kinderen?”
“Ik heb zelf geen kinderen.”
Het meisje zweeg. Bang was ze niet voor hem.
“Hoe heet je?”, vroeg hij.
“Aisha,” zei het kind.
“Ik ben Abraham.” Le Sévère liet hij maar weg.
“U heeft me nog niet verteld waarom u naar de meeuwen slaat. Bent u een meeuwenhater?”
Abraham lachte; wat een wonderlijke formulering.
Hij boog zich naar het meisje toe en hij zei: “Ik heb kortgeleden mijn vrouw verloren. Ze had het aan haar hart. Net voor ze overleed, kwamen we nader tot elkaar, alsof we elkaar voor het eerst goed gingen begrijpen. We begonnen te beseffen hoeveel we voor elkaar betekenden, voor de eerste maal in ons leven. Toen ging ze dood en ik was erg verdrietig, maar ook boos! Ik vond het onrechtvaardig dat God haar wegnam juist op dat moment.”
Het meisje had aandachtig geluisterd, ze zweeg even en toen zei ze: “Dus u bent geen meeuwenhater. Misschien kunt u beter vriendjes worden met de meeuwen.”
Ze stond op en ze liep weg. “Ik ga maar weer naar mijn vader toe. Hij zal wel uitgeraasd zijn.” Abraham was verbluft en voelde zich als een beschroomd jongetje, pijnlijk getroffen dat het jonge kind wijzer, vriendelijker en mooier had gesproken dan hij die wild om zich heen naar meeuwen sloeg.
“Vriendjes worden met de meeuwen,” mompelde hij in zichzelf.
Het meisje was bijna uit de duinpan geklommen, ze hoorde nog wat hij zei en riep: “Dan volgt de rest vanzelf!”
Abraham bleef een tijdje stilzitten. Na een paar minuten kwam er een kokmeeuw naast hem zitten. Hij keek het dier aan en werd helemaal week. ‘Misschien moet ik me maar met jou verzoenen,’ dacht hij, terwijl hij de meeuw bekeek.
De meeuw maakte een babbelend geluid en voor het eerst ergerde Abraham zich er niet aan. “Wat een prachtig dier ben jij,” fluisterde hij zachtjes. De meeuw was kennelijk niet schuw, bleef rustig naast hem zitten, de kop draaiend, van links naar rechts en weer terug.
Zo bleven ze een tijdje zitten; een diep gevoel van vrede doorvoer Abraham, een gevoel van vertrouwen. Was het in de Bijbel niet Abraham geweest die van God de opdracht had gekregen zijn eigen zoon te offeren? Pas op het laatste moment zond God een engel met de boodschap STOP, God weet nu dat je Hem vertrouwt. Niets had de Bijbelse Abraham van God begrepen, maar hij had Hem vertrouwd. Zo begreep de aardse groenteboer Abraham evenmin iets van de sereniteit die hij thans ervoer. Het gevoel van vredige mildheid en diepe kalmte, het gevoel van vertrouwen dat het allemaal goed was, dat alles zin had gehad: zijn leven, het leven van zijn vrouw en hun leven samen. Niets ervan kon hij beredeneren, onmogelijk had hij het onder woorden kunnen brengen, maar hij wist dat hij dichter bij enige vorm van waarachtigheid was gekomen dan ooit eerder in zijn leven. Misschien was hij in heel zijn harde arbeidzame leven wel een stuk van zichzelf kwijtgeraakt, het stuk van hem dat God was, of God toebehoorde. Hij voelde zich gezien, en dat gaf hem een verreikend gevoel van dankbaarheid. God nam Bram waar: z'n zandkleurige haar tegen de achtergrond van het duinzand, onder een hemel die zandkleurig was. Abrahams leven was zegenrijk geweest: nu voelde hij zich vrij.

5.
“Zie je, daar zit hij nog!”, riep Aisha opgetogen, nu ze van haar vader niet alleen een ‘Het spijt me’ en een kus, maar ook een lekker patatje mèt en een cola had gehad.
Aisha en haar ouders liepen op de man toe. Dichtbij gekomen was het als een lichtflits voor alle drie duidelijk: Abraham was zijn eigen zandbeeld geworden.

EINDE MOOI VERHAAL VAN FREDERICK

Geschreven door Frederick Haverkate
Alle rechten voorbehouden
Copyrighthouder: F. Haverkate/Nieuwe Sprookjes

Alle rechten voorbehouden. Niets uit dit werk mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door printen, opnemen of op enig andere manier, zonder voorafgaande toestemming van F. Haverkate/Nieuwe Sprookjes. Het is toegestaan overeenkomstig artikel 15a van de Auteurswet gegevens uit dit werk te citeren in artikelen, scripties en boeken, mits de bron op duidelijke wijze wordt vermeld, alsmede de aanduiding van de maker/copyrighthouder van dit werk.

De Rat

De Rat

Geschreven door Frederick Haverkate
Alle rechten voorbehouden
Copyrighthouder: F. Haverkate/Nieuwe Sprookjes

Vanaf 14 jaar

1. Spaarne-Parijs
Wouter van den Berg was bouwkundig tekenaar. Leuk vak, vond hij zelf. Bovendien leuke collega’s. En mooie… zoals Chantal, met haar hoogblonde haren en ogen waar je in kon zwemmen.
Wout was gescheiden. Hij bewoonde een fraai appartement in Haarlem-Noord. De honkbalclub vlakbij, gezellige buren, uitzicht op het Spaarne, … nee, hij had ‘t er best naar z’n zin. Naar z’n werk kon hij fietsen, niet meer dan 15 minuten en nooit in de file. Regen? Regenpak aan. Koud? Prima, lekker fris. Pas bij winterse temperaturen van min 4 graden of lager, nam hij de auto. En wàt voor een auto! Een MG MGB uit 1978! Geel, open dak, een geweldige sportauto, ooit op de kop getikt voor minder dan 3 mille. Zijn vrienden lachten hem altijd uit: “Nou heb je zó’n auto… en je gaat op de fiets naar je werk. Ja jongen, zó maak je geen indruk op Chantal!”
Het interesseerde hem niet zo veel. Laat ze maar lachen, hij voelde zich toch niet klaar voor een nieuwe relatie. Niet dat Chantal niet een stuk was, maar hij wilde haar meer kunnen bieden dan een avond plezier. Voorlopig was hij op zichzelf en hij was best tevreden over hoe hij het deed. ‘s Zomers waren z’n handen zwart van het werken in de tuin, ‘s winters nam hij geregeld een sauna in het schuurtje achter in zijn tuin dat hij had omgebouwd tot een houtgestookte buitensauna. Echt geweldig! Het beste was het als er sneeuw lag. Dan wreef hij zich na de sauna van top tot teen in met ijskoude sneeuw. Was ie weer fit voor een week!
In de herfst bezocht hij ieder jaar vrienden in Parijs. Die hadden –zeker voor Parijse begrippen- een royaal vijfkamerappartement, waar hij de zeer liefdevol ingerichte logeerkamer kreeg. Hij was er altijd een week, en trok telkenmale een dag uit om het Musée d’Orsay te bezoeken. Een oude enorme stationshal omgebouwd tot een spectaculair museum. Een van zijn lievelingsschilderijen was van Claude Monet: Le Parlement à Londres, een violet silhouet.
Mauricette, geboren en getogen Parisienne en leidinggevende bij een groot bedrijf, was een culinair talent. Reeds als kind had ze eindeloos maaltijden met natuurlijke ingrediënten bereid. Echt natuurlijk: van zand en water tot bladeren en steentjes.
Haar man Thomas Fournier was van geboorte Lyonnais, maar hij woonde met zijn vrouw reeds jaren in Parijs. Ze ontvingen Wout altijd met veel plezier en open armen. “Wootèèr”, zoals ze hem noemden. Een etentje op hun kosten in L’Epicuriste in Montparnasse stond steevast op het programma. Wouter hield van deze gezellige kleine bistro en het deed hem goed met zijn vrienden bij te praten. Als er tijd was, bezochten ze gedrieën de Sacré Cœur, niet als toeristische attractie, maar als lieu de pèlerinage en pour prier à Montmartre. Dikwijls hadden Mauricette en Thomas door hun werk niet de mogelijkheid hem op deze bedevaartstocht te vergezellen, dan ging hij alleen. Hij kwam tot rust in de schitterende en hem zo vertrouwde basiliek en genoot van zijn wandeling door de kunstenaarswijk Montmartre erna. Meestal nam hij ergens in een buurtcafé of bistro une Leffe blonde, en soms –als ze dat hadden- zijn favoriete bier une Leffe radieuse. Ruim 8% alcohol, dus aan één glas had hij genoeg, maar een bier dat om zijn fruit in het bouquet en aardse ondertonen niet te versmaden was.
Één bistro had gastvrijheid wel bijzonder hoog in het vaandel staan! De eerste keer dacht hij ‘die radieuse is hier duur zeg!’ Want de prijs lag wel iets hoger dan gebruikelijk. Maar ongevraagd kreeg hij er een plank met baguette en roquefort bij. Pour stimuler l’appétit, werd erbij gezegd. En inderdaad: hij kon de verleiding niet weerstaan om in deze bistro te blijven eten. Gastvrij en intelligent! In het voorjaar nam hij altijd een week vrij om naar Kreta te vliegen, alleen in de zomer bleef hij doorgaans thuis. Wel fietste hij veel, en maakte hij uitgebreide wandelingen met zijn Hollandse vrienden, maar hij vond het prettig en rustgevend om niet de zomerperiode voor zijn vakantie uit te kiezen. Zonder kinderen en als vrij man, kon hij het zich permitteren.

2. Godsvrucht
Het was een zondagmiddag in juni. Wouter zat in de tuin met een glas rosé in de hand. Op een tafeltje naast hem stond een zeer fraai bord van Catalaans aardewerk met erop wat blokjes oude kaas, moutarde de Dijon en stukjes Spaanse fuet. Erg smaakvolle droge worst. En niet te vergeten pommes chips, die maakte hij zelf. Met de dunschiller sneed hij een aardappel in zeer fijne stukjes en bakte die in wat olie in de wok. Bestrooien met zout en het resultaat was: chips! Maar dan huisgemaakt en onvoorstelbaar lekker, als je de kunst verstond ze goed toe te bereiden.
Een goed boek erbij en hij genoot van de warmte in zijn tuin.
“Wat hebben we het weer slecht, hè buurman?”, riep Carel uit de tuin ernaast.
Wout lachte en zei: “De zondag is om van te genieten.”
“En om te bidden,” sprak zijn oude buurman vermanend.
“Was u nog in de kerk vanochtend?”, vroeg Wouter aan de oude heer. “Nee jong, de automobilist was ziek en mijn benen willen niet meer.”
“Had het gezegd!”, zei Wout, “Ik had u toch even gebracht!”
“Je bent een goede jongen, Wout. Maar niet alles is nodig. Bidden kan ik thuis ook. En als je met je schrale billen in de kerkbank gaat zitten, wil dat nog niet zeggen dat je godvruchtig bent!”
Wout mocht de man graag. Voor zijn leeftijd was het een vitale vent, goedlachs en met een ongezouten mening over alles.
“Kijk, Wout”, zei Carel, “Nou ben ik m’n hele leven naar de kerk geweest. Vroeger met Fien, en sinds ik weduwnaar ben, alleen. Maar ik heb ook andere plekken gezien in m’n leven. Van Amsterdamse kroegen tot Napolitaanse achterbuurten. En ik zal je vertellen jong… ik heb méér christelijkheid en medemenselijkheid gezien buiten de kerk dan erbinnen!”
“Maar u bent toch altijd een trouw kerkganger gebleven.”
“Dat was eigenlijk voor mijn vrouw. Die wilde dat. Sinds haar overlijden, heb ik gemerkt dat het ook een stuk van mezelf is geworden. Nu ga ik nog steeds -als ik kan-, omdat ik dat zelf wil, en niet om die vuile kerkratten die daar naast me zitten! Farizeeërs zeg ik je, jongen! Wijsneuzen, hypocrieten en betweters! Arrogante en onbeschaamde fatsoensrakkers! Niets van nederigheid en ootmoed te bespeuren bij die pedante gasten!” Ze kletsten zich door de middag heen. Wouter bood hem een glas rosé aan, maar Carel gaf de voorkeur aan zijn Grolsch en zijn sigaar. Kaas en worst sloeg ie ook af.
“Brood met soep vanavond voor mij,” was zijn antwoord. “Daar ben ik tachtig mee geworden, dus dat moet ook voor mijn laatste stukje op aarde goed genoeg zijn.”
Wout genoot ervan dat ze zo plezierig en ongecompliceerd met elkaar babbelden, terwijl ze toch totaal verschillende persoonlijkheden waren.

3. Javaanse tijger
Toen Wout tegen zessen naar binnen ging, geurde zijn huis naar de kaasquiche die hij in de oven had staan. Hij liep naar de keuken, keek hoeveel tijd de quiche nog nodig had en nèt toen hij de woonkamer binnen wilde gaan, schoot er iets langs hem heen. ‘Wauw,’ dacht hij, ‘Wat was dat?’ Een dier, kennelijk. Muizen? Had hij muizen? Hopelijk niet.
In de woonkamer ging hij op de leren bank zitten, moe plotseling. De rosé bleek toch iets minder goed te vallen dan hij had gedacht. FLITS!!!
“Shit!”, riep hij halfluid, “Dat is een rat!”
Snel als een torpedo zag hij de rat via zijn keuken de tuin ingaan.
‘Een zwarte rat’, dacht Wouter verbijsterd. Hij liep de tuin weer in, maar daar zag hij het dier niet meer. Vervolgens klopte hij op de schutting: “Buurman, ik heb een rat in m’n woning!” Carel kwam naar buiten en zei: “Jongen, je zelfwaardering laat te wensen over!”
Even moesten ze allebei lachen. Toen sprak Wouter: “Een zwarte rat. Eerst in mijn woonkamer, toen in de keuken.”
“Een zwarte rat?”, vroeg Carel verbaasd “Ik dacht dat die uitgestorven waren.”
“Was dat maar waar!”
“Ratten horen niet bij mensen binnen te komen.”
“Mijn mening!”
“Nee Wouter, ik bedoel iets anders. Gezonde ratten leven in de natuur. Ze houden niet van mensen. Onze geur staat ze niet aan. Als een rat zijn weerstand tegen de menselijke geur overwint, dan betekent dat dat hij ziek is en op zoek naar makkelijk voedsel. Had ik je nooit dat verhaal over de Javaanse tijger verteld?”
“Nee.”

ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ

“Kijk, de Javaanse tijger schijnt al decennialang uitgestorven te zijn. Tijgers zijn geen menseneters, overigens. In de jaren tachtig van de vorige eeuw, was er in Kadipaten , een Javaans gehucht kleiner dan Persingen………” Carel keek even opzij, naar Wouter. Toen voegde hij er voor de zekerheid aan toe: “Persingen heeft minder dan 90 inwoners. Het is de kleinste plaats van Nederland.” Wout knikte. Hij zag wat bleek om de neus.
“……… in Kadipaten werd groot alarm geslagen door de baboe die een gewonde tijger had zien liggen in de rimboe . Zij wist donders goed, dat een GEWONDE tijger gevaar op kon leveren voor mensen. Een verzwakte of zieke tijger wijkt van zijn natuurlijk jachtgedrag af en gaat op zoek naar een makkelijke prooi. Dat is een mensenkindje, een baby of een peuter.
“Jezus,” zei Wouter die van schrik weer kleur op zijn gezicht kreeg.
“Het is een verhaal van mijn oudtante. Die leefde jaren op Java. Nu wil het geval dat deze baboe een meisje verzorgde, dat hele dagen thuis moest zitten. Haar moeder was overleden en haar vader werkte op de plantage. Dus zeurde het kind net zolang tot ze met haar vader en diens mannen mee mocht naar de plantage. Wat gebeurde er?
Precies waar haar vader voor gewaarschuwd had: ze verveelde zich op de plantage net zo stierlijk als thuis, want de mannen waren de hele dag op het land aan het werk en zij zat met haar pop in haar eentje op een beschutte plek. Misschien verveelde ze zich nog wel méér dan thuis. Want hier was de baboe ook al niet. En de katjong zag ze hier natuurlijk ook niet. Dus speelde ze met haar pop. Intussen zon ze op een manier om de aandacht van haar vader te trekken. Toen had ze het. “HELP!!!”, riep ze zo luid als ze kon, “HELP!!! Papa, help! De tijger, de tijger!!!”
Haar vader en zijn mannen hoorden haar kreet, lieten al hun gereedschap uit de handen vallen, en renden als bezetenen naar het meisje toe. “Ik verveel me zo,” zei Anta, “Kunnen jullie niet met mij spelen?” Haar vader was woedend en gaf haar een oorveeg. Maar omdat ze er nu toch waren, gingen ze maar vast eten. Anta moest eerst huilen, maar daarna kreeg ze een kus van haar vader en hij vertelde haar een verhaaltje en speelde wat met haar.

ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ

Een week later was het weer zover. Anta verveelde zich dood en riep opnieuw om hulp. Haar vader reageerde eerst niet, maar toen riep ze zo krijsend en heftig, dat de mannen toch aangerend kwamen. Nu kreeg Anta alleen de oorveeg, niet de kus erna. Een verhaaltje en een spelletje waren er ook niet meer bij. Ze moest héél lang zeuren voor ze toestemming kreeg om de volgende dag nog mee te mogen naar het land.

ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ

Het was de volgende dag. De mannen moesten het laatste stuk land bewerken. Dat lag het verst weg. Anta speelde met haar pop. Ze hoorde een geruis in de bushbush. Geritsel. Ze zag twee ogen, die vanuit de jungle naar haar loerden.
‘Wat een mooie ogen,’ dacht ze eerst nog. Toen kwam het dier tevoorschijn: een grote tijger, die zachtjes en onheilspellend gromde. Gewond, want hij had een bloedvlek in zijn zij. Even wist Anta het niet goed. Moest ze vriendjes met hem worden? Of was hij boos? RAZENDSNEL maakte de tijger een sprong en beet haar in haar arm. Anta gilde het uit en riep: “Papa, papa, HELP!!! Nu is het echt! Papa, papa... HELP, de tijger!”
De mannen op het land hoorden haar gegil en gingen schouderophalend verder met hun werk. “Help!”, riep Anta weer, trachtend nog harder te schreeuwen, maar in werkelijkheid een zachter geluidje van zich gevend. “Papa, papa!”, en papa was ook het laatste woord dat haar mond verliet.
Toen de mannen naar de beschutte plek kwamen om te eten, vonden ze Anta’s lichaam, verscheurd en aan stukken gereten. Bloed omgaf haar. Haar vader slaakte een kreet en gilde het uit: “Anta, Anta. Mijn kind, mijn alles!” Ze keerden terug naar het dorp, de vader droeg het dode kind in de armen. Zijn mannen volgden hem roepend en klagend. Alle dorpsbewoners kwamen uitgelopen. “De tijger, de tijger!!!”, riepen de eerste vrouwen. “De tijger, de tijger!!!” riepen de mannen in het dorp. Geweren werden gepakt, krissen werden genomen. Geen man die niet het dorp verliet om de tijger te zoeken. Er werd niet gerust, niet gegeten en niet gedronken tot de mannen de tijger gevonden hadden. Dat duurde zestien uren. Toen zagen ze hem, verzwakt in de jungle. De katjong, de jongste uit het dorp, doodde de tijger met zijn kris. Bloed kleefde aan zijn handen. Het gevaar was geweken.”
Diep onder de indruk van het aangrijpende verhaal van zijn buurman ging Wouter naar binnen. Buiten werd het frisjes. Hij ging vroeg naar bed. Van de rat geen spoor meer…

4. Stap
Maandagochtend tegen twaalven. Wouter had het belangrijke project waar hij aan werkte niet voor het weekend afgekregen. Zijn baas vond dat niet erg: “Liever goed werk en een paar dagen later, dan werk met fouten. Die Duitsers zijn zelf ook zo tüchtig!”
Het was werk voor een belangrijke klant in Kassel. Gelukkig sprak Wouter goed Duits; de communicatie was hierdoor bevredigend verlopen. Hij leunde achterover in zijn bureaustoel, de handen gevouwen in z’n nek. ‘Klaar!’, dacht hij tevreden. Chantal zat aan het bureau schuin tegenover hem; ze was telefonisch in gesprek met een klant. Wouter droomde even weg: ‘Wat heeft zij toch een verrukkelijke grote borsten,’ dacht hij terwijl hij haar bekeek. Zij gesticuleerde en praatte heftig, om een klant die altijd problemen gaf, iets duidelijk te maken. Wouter ontspande en dacht: ‘Een vrouw heeft het vermogen een man weer zacht te maken. Behalve één deel van de man dan’ Hij lachte. Ja, als je zo intensief aan een project hebt gewerkt en het is eindelijk af… dan gaan je gedachten als vanzelf even naar iets anders.
Chantal beëindigde haar telefonade en keek hem glimlachend aan. Toen ging ze verder met haar werk. ‘Echt een knappe man, die Wout,’ dacht ze, terwijl ze haar gespreksnotities maakte. Dat vond zij nou echt een man voor haar! Maar ja, ze werkten al meer dan een jaar samen en hij had nooit iets ondernomen. ‘tuurlijk, ze wist het wel… het zijn moderne tijden en de vrouw mag ook gerust het initiatief nemen. Maar iets weerhield haar toch. Het voelde een beetje onnatuurlijk. Misschien waren mannen minder bang om een blauwtje te lopen? Ach, ze moest hem maar loslaten. Als hij al zo lang geen interesse in haar had getoond, dan kon ze haar heil beter elders zoeken. Alleen… zoals hij soms naar haar keek (nu net ook weer), zo vol verlangen, echt alsof hij haar bewonderde en mooi vond… dat maakte het haar onmogelijk om hem los te laten! Wellicht had hij gewoon tijd nodig? Hij was gescheiden, dat wist ze wel en dan stort je je waarschijnlijk niet zo makkelijk in een nieuwe relatie. Zijzelf had nog nooit iets echt serieus gehad. Mannen vonden haar wel aantrekkelijk, dat zeiden de paar mannen met wie ze iets had gehad tenminste… Maar dat was kennelijk niet genoeg. Zij wilde wel iets blijvends en iets stabiels. Hoewel ze dat ook een beetje eng vond. Stel je voor: dan ga je samenwonen en je krijgt kinderen… en tien jaar later wil je uit elkaar! Die verhalen had ze vaak genoeg gehoord. Wouter was toch ook gescheiden! Zou Wouter niet met dezelfde angsten kampen als zij eigenlijk? Dan konden ze zo samen doorwerken en collega’s blijven tot hun pensioen, terwijl ze misschien al die tijd heimelijk verliefd op elkaar waren! Moest ze dan toch niet de eerste stap zetten…

5. Minnen
Wouter kon die middag vroeg naar huis. Zijn chef vond het oké -hij had hard gewerkt aan de Duitse opdracht- en hij vond zelf ook dat hij het verdiend had.
Tegen vieren was hij thuis. Hij haalde het vlees vast uit de ijskast en kookte de aardappels half gaar. Dan kon hij ze straks met wat ui en prei opbakken. Ondertussen ging hij even op de bank voor de tv zitten. Vanavond wilde hij een film zien! Even dacht hij glimlachend een oude dvd op te zetten: Ciske DE RAT met de onvergelijkelijke Danny de Munk als jonge jongen in de hoofdrol, maar nee… je moest het lot niet tarten! Hij dacht even na (zijn filmcollectie was aanzienlijk) en hij besloot tot Two weeks notice, een erg leuke film met Sandra Bullock en Hugh Grant. Een actrice die hij mateloos bewonderde, Sandra Bullock. Mooie vrouw ook, hoewel in zijn ogen geen stuk. Niet zoals Chantal tenminste. Hij glimlachte. Als hij intensief aan een opdracht werkte, lukte het hem wel minder aan Chantal te denken. Maar die opdracht was nu voorbij…
Was dat wel goed, een vrouw een spetter vinden? Ja, dat was natuurlijk wel goed, maar was het een solide basis… voor een relatie? Of kon je eigenlijk beter een vrouw hebben die je wel mooi vond en met wie je het goed kon vinden, maar die je niet zo waanzinnig aantrekkelijk vond. Zoals Sandra Bullock. Niet dat hij een relatie met haar zou kunnen beginnen… haha! Maar het ging het om het idee. Als je iemand zo ECHT begeert, zoals hij Chantal, maakt dat niet alles nog veel moeilijker? Is het niet makkelijker en verstandiger wanneer je iets duurzaams wilt, dat je een partner zoekt, met wie je vrienden bent. Natuurlijk, seks is ook belangrijk, maar wat gebeurt er nu zo vaak: dat mensen hevig verliefd op elkaar raken, gaan trouwen en kinderen krijgen. En daarna bloedt het allemaal een beetje dood. Voor je het weet, ben je alleen nog maar blij dat het je lukt je kinderen gewassen en gekleed naar school te brengen, je baan te behouden, en die vurige seks en liefde van het begin… waar was die dan gebleven? Dat sloeg dan volgens hem ook weleens om. Mensen begonnen elkaar steeds minder te mogen tot er op een gegeven moment uit liefde haat groeide. Dat wilde hij niet. Nou ja, niet NOG een keer.
Hij had het er een keer met zijn oude buurman Carel over gehad. Of seks nou zo belangrijk was in een relatie… Die had –tot zijn verbazing- geantwoord: “Beste jongen, seks is van levensbelang! Seks hoort taboeloos te zijn. Een man moet de vagina van zijn geliefde kunnen beminnen, met zijn vingers, zijn mond, zijn penis. De liefde tussen twee mensen is heilig, weet je? En de vagina van een vrouw is de tempel voor de man.”
Hij was diep onder de indruk, dat een man van tachtig zo eerlijk en zonder schaamte over liefde en seks kon spreken. Maar voor Carel was dat normaal. Hij zei: “Ik heb mijn lieve vrouw Fien altijd bemind. Ik heb haar nimmer verlaten, ook niet lichamelijk. Natuurlijk: we werden beiden ouder. Maar ik heb haar lichaam altijd begeerlijk gevonden. Dat WILDE ik ook. Het is zo makkelijk om te zeggen: 'Ach, we zijn oud, laat maar zitten allemaal.' Dat heb ik nooit gewild. Vaak kreeg ik helemaal geen stijve meer, maar ik wilde niet opgeven, begrijp je? Ik wilde mijn vrouw blijven liefhebben. En dan vreeën we met elkaar, we ontdekten elkanders lichaam opnieuw en op een andere manier. We hoefden toch geen kinderen meer te verwekken.”
Het zette Wouter aan het denken allemaal. Hij voelde zich niet zo open als zijn tachtigjarige buurman. Het waren meer onzekerheid en schaamte die hem overvielen. Maar schitterend vond hij het wel, dat mensen elkaar zo blijven beminnen, echt tot het einde hunner dagen…

6. Rat
Zijn maaltje was toebereid en hij ging maar even gemakkelijk op de bank voor de tv zitten. De met prei en ui gebakken aardappeltjes smaakten prima (maar hij kruidde ze dan ook met zout, kerrie, biologische basilicum en paprikapoeder) en de kogelbiefstuk… nou ja, dat was gewoon zijn favoriete vlees. De film begon, Sandra Bullock lag met vrienden op de grond uit stil protest tegen de sloop van een gebouw. Hij nam een hap en hoorde geritsel. Geluid. Hij keek naar de cv bij het raam en zag de rat. De zwarte rat. Daar zat ie. De rat keek hem aan. Met kleine vuile oogjes. Rattenoogjes. Wouter keek terug, verbouwereerd. Zo keken ze elkaar een wijle stil aan. De film liep door. Wouter keek. En de rat keek. Het was net of de rat met Wouter praatte. “Loser,” zei de rat, “Mannetje van niks. Alleenwonend klunsje. Vrouwloos. Huisdierloos. Kinderloos.”
Wouter sprong op. De rat glipte aan hem voorbij, de gang in. Weg was hij!
‘Wat gebeurt hier allemaal?’, dacht Wouter, ‘Wat waren dat voor stemmen die ik hoorde? Dat heb ik anders nooit!’ Hij liet het voor wat het was en keek zijn film af. Vervolgens ging hij naar bed.
Midden in de nacht –tegen drie uur- werd hij wakker. Geradbraakt liep hij naar het toilet, deed een plas en ging terug naar bed. Daar zat de rat. Naast zijn bed. Zwart. Stil. Kwaadaardig. Wouter keek hem aan. Stond aan de grond genageld. Als verlamd. “Beest!”, riep hij, “Gedrocht!” De rat verroerde zich niet. 'Was dit een rat? Of was het een hallucinatie? Was hij gek aan het worden?'
Weer hoorde hij stemmen, het was alsof de rat tot hem sprak: “Je hebt het nooit tot iets gebracht, knuddeman. Je werkt wel goed, hoor, maar dat hou je nooit vol. Niet met mij aan je zijde! Ik ben je alter ego, ik ben je vergift. Ik ben je alles, ik ben je niets. Van mij kom je nooit af. Mij raak je nooit kwijt. En Chantal… die zul je nooit hebben. Eerder nog bijt ik haar dood!” Wout ging op de rand van zijn bed zitten. Duizelig. Bleek. Hij wist even niet hoe hij het had. Hij keek opzij. De rat zat er nog. Naast zijn bed. Doodgemoedereerd, kalmpjes, rat-rustig. Opnieuw sprong Wouter op en WEG was de rat. Zijn slaapkamer uit, de gang in, naar de keuken. Wouter liep hem niet na. Hij ging in zijn bed liggen en viel als een blok in slaap…

7. Hamelen
‘RATTENWEG!’ was er met grote letters op het busje geverfd. ‘Een nogal ambivalente naam voor een firma die zich met ongediertebestrijding bezighield, en gespecialiseerd was in het bestrijden van ratten,’ dacht Wouter.
De man was een halfuur bezig in zijn woning. Hij zette gifboxen uit. “Brodifácoüm, meneer! Dat werkt als de beste! Want vroeger gebruikten we nog bromadíolon en ook wel difethíalon. Maar difethíalon… dat kennen de beestjes nu. Is snoep voor ze geworden, meneertje. Flocamóüfen ook! Terwijl ik dat toch zo vaak met succes gebruikt heb!” Het zei Wout allemaal niks; hij liet de man zijn gang maar gaan en schrok zich een hoedje van diens nota. “Tweehonderd dertig euro?” “Ja, meneertje… alles hep z’n prijs! Maar…”, voegde hij er om zich heen kijkend aan toe, “Het is toch niet dat u armlastig bent of zo?” “Nee, dat is het probleem niet…”, zei Wouter. “Dat bedoel ik maar!”, vervolgde de kerel enthousiast. (zijn tarieven waren ongetwijfeld inkomensafhankelijk, en dat besliste hij waarschijnlijk op het moment zelf: gewoon zo veel pakken als je pakken kunt!) “Anders gaat u toch op een fluitje blazen!”, vervolgde hij nog. “Een fluitje?” “Ja! Zoals de rattenvanger van Hamelen. Die floot een vrolijk wijsje en alle ratten volgden hem. Hij liep de rivier in en de ratten bleven hem achternagaan. Het gevolg was dat ze allemaal verdronken. Behalve de fluitspeler want die kon zwemmen!”
“Ja ja”, zei Wouter afwezig “Het zal allemaal wel. Ben ik nu van die rat af?” “Een weekje en dan is ie weg, hoor. Dat verzeker ik u,” Weg was de man zelf ook en weg waren ook Wouts 230 euro. Want boter bij de vis werd natuurlijk wel op prijs gesteld.

8. Verhalen vertellen
Een week later was de rat er nog steeds. De man van ‘RATTENWEG’ had het ‘erg druk’ en kon pas het eind van de week weer langskomen. Wouter zat bleek en lichtelijk ineengedoken achter het scherm van zijn computer op zijn werk.
“Gaat het, Wout?”, hoorde hij Chantals stem. “Hm ja, beetje moe.” ‘Wat zag die lieve Wouter er zwakjes uit! Pips en vermoeid!’ Het liefst was ze naar hem toegelopen en had een arm om hem heen geslagen, zijn haren gestreeld en hem een zoen gegeven. Maar dat kon natuurlijk niet! Straks werd ze nog beschuldigd van ongewenste intimiteiten op het werk! Even moest ze lachen; toen ging ze maar door met haar werk. Wouter was echt moe. In de lunchpauze vertelde hij Chantal van de rat. Wat er die nacht was gebeurd en dat hij zich ingebeeld had dat de rat met hem sprak… dat gedeelte liet hij maar weg. Straks dacht ze nog dat hij gek aan het worden was. Was hij eigenlijk gek aan het worden? Ach nee, wat een onzin allemaal. Je wordt niet gek van een rat, je wordt gek van… Ja, waar word je eigenlijk gek van? Waarschijnlijk nergens van: je wordt zo geboren als je pech hebt. ‘Ach Chantal’ dacht hij. Het liefst zou hij haar in zijn armen nemen, haar mooie haren strelen en haar een kus geven. Maar dat kon natuurlijk niet! Straks werd hij nog beschuldigd van ongewenste intimiteiten op het werk! Hij moest even lachen en beëindigde daarna zijn lunchpauze.

ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ

Die vrijdag kwam de rattenbestrijder weer langs. De man was erg vriendelijk nu: hij was een uur bezig en berekende niets. “We willen onze naam wel waarmaken!” riep hij. Het weekend dat volgde was alles rustig; de rat vertoonde zich niet meer (Was hij dood? Was hij weg?) en Wouter genoot van een rustige zondagmiddag met Carel naast zich. Die had hij uitgenodigd deze keer, en hij vertelde mooie verhalen. Die Carel kon vertellen… Niet alleen de verhalen waren adembenemend, ook de manier waarop hij ze vertelde was dusdanig dat Wout soms letterlijk kippenvel kreeg. Carel had een prachtige, donkere vertelstem. “Dat dank ik aan mijn sigaren!”, zei hij gnuivend. Wouter berispte hem en zei: “Man, dat kun je toch niet zeggen!” “Toch is het zo,” sprak Carel, “Mijn stem is dieper en donkerder van kleur geworden sinds ik sigaren rook. En dat komt het vertellen alleen maar ten goede.” DAT moest Wout beamen. “Je zou publiek moeten hebben!”, zei hij terwijl hij Carel aanstootte, “Vertellen voor een zaal met mensen…” “Zeg knul, wil jij mij op mijn oude dag nog zenuwachtig maken? Vertellen voor een zaal met mensen… het idee!”
“Het kan toch ook een klein clubje zijn, in zo’n zaaltje van een hotel, of in de lounge? Open haard aan, mensen met een glas rode wijn in een kring om jou heen… en jij maar vertellen vertellen vertellen!”
Carel dacht na. “Misschien doe ik het wel,” zei hij toen, “Het huis is stil na de dood van Fien. Stil, maar net zo groot. Ik vul het niet meer in m’n eentje.”
“Dan hou je vertelavonden bij jou thuis!”, riep Wouter enthousiast uit, “Man, je hebt er de ruimte voor, je hebt een open haard. Dat is geweldig voor de wintermaanden. De mensen zullen aan je lippen hangen!”
Carel pufte glimlachend aan zijn sigaar: “Je bent een fijne buurman, jochie! Dank je wel.”

ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ

Die nacht viel Wouter rap in slaap. Tegen drieën werd hij met een schok wakker. ‘Even een slok water,’ dacht hij. Hij liep de keuken in en ZJWOESJ daar schoot de rat aan hem voorbij. ‘Shit,’ dacht Wouter getroffen, ‘Ik dacht dat ik van jou af was!’
Hij ging in de woonkamer zitten en daar kwam de rat aangeslopen. De rat ging in de hoek van zijn huiskamer zitten, zwart en stil, enkele meters van Wouter vandaan.
“Het is na drieën, Woutjeman, de nanacht, het kwade gedeelte van de nacht. De uren van de rat. Van drie tot vijf ben ik de heerser van de nacht! Mensen slapen, ze weten niet wat er gebeurt. Ze zijn zwak en dom als ze slapen. Achterlijk. Wij zijn intelligent. We krijgen jullie wel te pakken!”
Wouter schudde zijn hoofd als om een droom van zich af te schudden.
“Dat werkt niet, kindmannetje. Ik ben geen droom. Ook geen fantasie. Ik ben de rat. Jouw wezen, mies kereltje, jouw wezen!”
Wouter stond op, liep naar de keuken en hield zijn hoofd onder de koude kraan. ‘Misschien was het de hitte? De afgelopen dagen waren erg warm geweest’ Hij verfriste zijn gezicht, droogde zich af met de handdoek en ging weer in de huiskamer zitten.
Niets was veranderd.
“Wat dènk jij nou helemaal, knullemans!”, zei de rat, “Dat je zo makkelijk van mij af kunt komen? Ik ben de rat, mannetje. DE RAT! De snode rat, vilein, vuig, vinnig en vuil! Met mij heb je altijd te maken! Ik sta voor de wereld, de wereld die zich tegen jou keert. Er zal niets van je overblijven, niets… of nog minder: je wordt zelf een rat!” Wouter stond opnieuw op, liep weer naar de keuken, graaide in de gereedschapskist en kwam terug met een hamer. Razendsnel stoof hij naar de hoek waar de rat zat. Hij hieuw met zijn moker, maar de rat ontglipte en hij sloeg alleen maar zijn design-plantenbak kapot. Hoofdschuddend liep hij de keuken weer in om de hamer op te bergen, maar de rat zat nu op het aanrecht en tuurde met lepe, geniepige oogjes naar Wouter. De rat niesde en lachte en bewoog zijn staart van vals, verachtelijk genot. Wouter keerde om, sloot de keuken af en ging naar bed. Hij viel onmiddellijk in slaap en sliep de rest van de nacht als een os.

9. Bits
De volgende dag ging hij niet naar zijn werk. Hij belde op om te zeggen dat hij ziek was. Dat klopte enigszins. Hij voelde zich beroerd, maar hij had geen koorts of iets dergelijks. De hele week bleef hij thuis. De rat vertoonde zich niet. Hij kwam een beetje bij.
Donderdagavond belde Chantal. Ze was lief en belangstellend, maar hij hield zich op de vlakte. Hij kon toch niet over die rat gaan vertellen!!! Dat die met hem praatte. Dat die hem minachtte. De week erop ging hij weer naar zijn werk. Zijn baas kwam even vragen (Wouter was immers nooit ziek) maar dat had niet veel om het lijf. Chantal bekeek hem opmerkzaam. Ze vond hem vermagerd en hij had wallen onder zijn ogen. Bovendien stonden zijn ogen donker en droef; hij keek haar ook niet aan als ze iets tegen hem zei. Dan keek hij schuin naar beneden; dat deed hij anders nooit! Maar wat moest ze doen? Al haar vriendelijke belangstelling werd afgeweerd. Het was alsof ze hem voortdurend mailtjes stuurde, die hij onmiddellijk en automatisch deletete.
Een week later begon ze een gesprek met hem. Nu keek hij haar aan en ze schrok zich rot! Jezus! Wat was er met zijn ogen gebeurd? Die vriendelijke, zachtaardige ogen van Wout. Het was of ze kleiner waren geworden. Ze keken geniepig en leep in haar richting. Chantal huiverde. “Wouter, volgens mij heb je iets onder de leden. Heb je de dokter nog gezien onlangs?”
“Ik hoef geen dokter,” zei Wouter bits, “Ik ben zo gezond als een rat.”
“Je bedoelt als een vis,” verbeterde Chantal hem.
“Hè? Ja, dat bedoel ik.” Hiermee was het gesprek beëindigd.

10. Carel
Het was zondagmiddag. Wouter zat op zijn bank, licht voorovergebogen. De deurbel rinkelde, maar Wouter bleef gewoon zitten.
Even later ging de voordeur open: het was Carel, die de huissleutel van Wout had. Carel nam plaats naast Wouter.
“Wij moeten eens praten, jongen.”
“Nee, dat hoeven wij helemaal niet,” zei Wouter bot.
“Oh ja, dat moeten wij wel.”
“Komt niks van in, man. GA WEG!”, riep Wouter.
Carel bleef rustigjes naast hem zitten.
“Het is de rat, niet?”
Wouter keek schuin opzij, naar het door ouderdom mild geworden gezicht van zijn buurman. Hij zuchtte even, als van opluchting: “Ja, het is de rat”
“Je moet met hem vechten,” sprak Carel, “Je moet hem uitschakelen.”
“Uitschakelen?”, vroeg Wouter.
“Doden,” zei Carel droog. “Hij verpest je leven en hij is van het soort waar geen ongediertebestrijding tegenop kan. Je moet het zelf doen.”
“Ik ga toch niet vechten met een rat?”, zei Wouter, “Daar is de rattenbestrijding voor!”
“Ja, dat werkt nogal, hè? Die man van 'RATTENWEG' komt hier bijna iedere dag. Dat geeft geen pas. Er is iemand anders die hier iedere dag hoort te komen.”
“Iemand anders,” zei Wouter doods en toonloos, denkend dat Carel bedoelde dat hij een nieuwe firma in de arm moest nemen.
“Geen andere rattenbestrijder. Chantal.”

ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ

Wouts ogen lichtten even op; een moment lang hadden ze weer hun oude glans in plaats van de inmiddels gebruikelijk geworden grauwe dofheid.
“Chantal,” zei Wouter met iets van weemoed in zijn stem.
“Ze is geen herinnering, Wout. Ze leeft en ze houdt van je. En jij houdt van haar.”
“Ach, Chantal…” Wouters stem klonk ditmaal alsof hij van een ver verleden sprak, een beeld van lang geleden.
“Ze leeft,” zei Carel opnieuw, “Het is niet mijn Fien. Die is niet meer. Van haar heb ik slechts de herinneringen, de foto’s. Je moet je terugvechten in het leven, Wouter. Je moet vechten voor je geliefde. Daarmee vecht je ook voor jezelf en zo krijg je je leven terug. Je moet de rat doden.”
Carel stond op en gaf Wouter een ferme klap op zijn rug. Wouter schokt er even van. Maar dan krijgt hij een nog veel hardere klap van die oude Carel en ineens staat Wouter rechtovereind. Hij is als ontwaakt uit zijn verdoofdheid en roept: “Nog een!”
Carel schudt hem door elkaar en slaat hem een paar keer in het gezicht, niet zo heel hard, maar toch…
“Carel, jij moet me helpen! Jij moet me helpen de rat te doden. Samen staan we sterker, man. Doe dit voor mij!”
Maar Carel schudt het hoofd: “Deze rat is van het soort dat je zelf moet doden. Alleen jij kunt deze rat doden. Het is mijn rat niet.”
Carel staat op en verlaat het huis, hij gaat zijns weegs.
In de woonkamer van Wouter wordt het stil. Donker. Kil. Eng.

11. Bloed
Die avond gaat Wouter vroeg naar bed. Al vóór hij inslaapt, voelt hij zich als in een droom. Geen prettig gevoel… net alsof hij het contact met de werkelijkheid aan het verliezen is. Wezenloos staart hij naar het plafond. Ongemerkt valt hij in slaap.
De volgende morgen wordt hij uitgerust wakker. Hij voelt zich redelijk fit en terwijl hij zijn ontbijt staat klaar te maken en koffiezet, denkt hij na over wat Carel de vorige dag tegen hem zei. Was die rat eigenlijk wel echt? Of had Carel -beter dan hijzelf- in de gaten dat het een inbeelding van Wout was? Hij wist het niet zo goed allemaal. Het beest had hij wel echt gezien. Hij wist zeker dat DAT geen hallucinatie was. Maar dat idiote praten van de rat met hem… Dat sloeg natuurlijk nergens op.
Vechten. Vechten met de rat, had Carel gezegd. Wat een ridicuul idee! Maar ja, wat moest hij anders? Die rat moest dood! Dat was een ding dat zeker is. Hij wachtte een paar weken, maar van de rat geen spoor. Mentaal stelde Wouter zich in op een gevecht met een rat. Hoe pak je zoiets aan? Geen idee. Kon een rat het van een mens winnen? Zou een rat een mens kunnen doden? Hij liet het thema maar even liggen. Je moest je er ook niet te veel mee bezighouden.

ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ

Zaterdagavond. Wouter zat op de couche. Hij wilde de rat zien. Hij wilde dat verdomde beest zien, en doden. Vermorzelen. Hij wilde verder met zijn leven. In een open-meditatieve houding zat hij op zijn bank. “Rat,” sprak hij, “Laat je zien!” Hij hoorde een kreetachtig geluid en voelde een felle pijn in zijn nek. De rat had al die tijd achter hem gezeten en had hem nu in zijn nek gebeten. Hij voelde met zijn hand een open wond, bloed. Nu zat de rat voor hem, lelijker dan ooit, zijn rattentandjes glommen in het lamplicht, zij glommen van Wouts bloed. Wout rilde.
“Beest,” siste hij.
“Beest,” siste de rat terug.
Wouter sprong op hem af en trapte het dier op zijn staart. De rat wilde weg, maar kon niet. Kermende geluiden van haat. Het beest raakte door het dolle heen door zijn eigen woede en de onmogelijkheid van zijn situatie. Toen –het gebeurde onverwachts- schoot de rat weg, een stuk van zijn staart onder Wouters schoen achterlatend. Wouter rende hem achterna, de keuken in. De rat zat op het aanrecht, haatogen op Wout gericht. Die aarzelde niet meer, maar greep het beest onder zijn kop met zijn beide handen.
“Wat wou jij nou, hè? Wat wou jij nou? Mijn leven kapotmaken? Mij mijn toekomst met mijn droomvrouw ontnemen?” De rat siste als een slang, beet Wouters handen waar hij maar kon. “Jij wanschepsel. Jij ongedierte,” siste de rat tegen Wout. "Wat je zegt, ben je zelf," riposteerde Wouter. Maar de snode rat liet niet af Wout uit te schelden en te bijten waar hij maar kon. Wouters handen begonnen steeds erger te bloeden, het aanrecht kleurde rood. De rat probeerde zich als een slang vrij te kronkelen. Het lukte niet; Wouter won. Met diepe voldoening wurgde hij de rat. Levenloos viel het dier op de grond neer.

ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ

Wouter waste en verbond zijn handen, verzorgde de wond in zijn nek, hij maakte het aanrecht schoon en pas toen nam hij een oude handschoen en pakte de rat op. De ogen van het dier waren afgrijselijk om aan te zien: er straalde een haat uit zoals Wout nimmer aanschouwd had. Wouter stelde zich plotsklaps mentaal om: “Eigenlijk zou ik je een kus moeten geven. Dan zou de haat uit je ogen verdwijnen. Haat is een misverstand. Liefde is echt.” En nadat hij deze woorden gesproken had, deed hij de rat in een vuilniszak en liep de straat op om hem in de vuilcontainer te gooien.
‘Het is gelukt,’ dacht Wouter bij zichzelf, ‘Ik ben een vrij man.’
Carel stond voor het raam en knikte Wout glimlachend toe. Hij leek alles al te weten.

12. Chantal
Chantal was verbaasd over hoe goed Wouter er opeens uitzag! Een ware metamorfose! Blozend, zijn haren golvend, een twinkeling in zijn ogen… Chantal smolt weg en voelde heftige erotische prikkelingen door haar lijf gaan. Haar tepels werden stijf, haar vagina vochtig en ze vergat even helemaal dat ze op haar werk was.

ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ

Bij de koffieautomaat wachtte Wouter haar tijdens de lunchpauze op.
“Chantal.”
“Wouter.”
Ze moesten lachen, want ze hadden elkanders naam op hetzelfde moment uitgesproken.
“Ik wil je vragen…”
“Ik wil je vragen…”
Wederom spraken ze op precies hetzelfde moment…

Wouter hief zijn hand op en streelde zachtjes de wang van Chantal.
“We weten wel wat we willen zeggen, hè?”, zei hij.
“Ja,” sprak Chantal met het gevoel alsof ze eindelijk thuiskwam, “We weten het.”

EINDE MOOI VERHAAL VAN FREDERICK

Geschreven door Frederick Haverkate
Alle rechten voorbehouden
Copyrighthouder: F. Haverkate/Nieuwe Sprookjes

Alle rechten voorbehouden. Niets uit dit werk mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door printen, opnemen of op enig andere manier, zonder voorafgaande toestemming van F. Haverkate/Nieuwe Sprookjes. Het is toegestaan overeenkomstig artikel 15a van de Auteurswet gegevens uit dit werk te citeren in artikelen, scripties en boeken, mits de bron op duidelijke wijze wordt vermeld, alsmede de aanduiding van de maker/copyrighthouder van dit werk.

De Klavecinist

De Klavecinist

Geschreven door Frederick Haverkate
Alle rechten voorbehouden
Copyrighthouder: F. Haverkate/Nieuwe Sprookjes

Vanaf 10 jaar

Het museum is mooi. Er hangt een sfeer van heiligheid, een waas van historie en importantie. De schilderijen ademen een gloed van kostbaarheid uit, zoals ze daar verstild hangen, elk op zijn eigen plek, elk met zijn eigen geschiedenis en betekenis. De kleuren op de schilderijen zijn mooier dan de kleuren van het heden, want ze zijn met de jaren mild geworden en kennen geen schrille, schrale schelheid meer. Ze ademen rust en kalmte uit, vrede en waardigheid, suave zachtheid die jaren her ontstond, en die rijpte in die talloze dagen en nachten.
Mensen betreden dit museum als een kathedraal: ze worden stil en beginnen te fluisteren. Toeristen verliezen hun luidruchtigheid, fotocamera’s worden decent in tassen gestoken. “Men koopt wel een ansichtkaartje na afloop.”
In de hoek van de Rode Zaal staat het klavecimbel, de cembalo, het clavecijn. Geschilderde taferelen van dansende maagden zijn zichtbaar op het geopende instrument. Het krukje ervoor is leeg. Mag dit instrument bespeeld worden? En zo ja, door wie?

Of is het instrument te oud en fragiel geworden… mag men het nog slechts beschouwen, genieten van de uiterlijke schoonheid ervan, maar zijn levende klanken te veel gevraagd van dit clavecijn…
De wandklok geeft half vier aan. Mensen komen binnen, en zetten zich op een drietal banken die rond het klavecimbel staan. Een man treedt binnen, klokslag vier. Hij neemt plaats achter het klavecimbel en speelt de prelude in bes groot uit de eerste partita van Johann Sebastian Bach.
In de hoek staat een meisje. Acht jaar, negen jaar? Waarom staat ze daar? Er is toch nog plek op de banken: weinigen zijn gekomen om te luisteren naar deze schoonheid van weleer.
Het meisje staat er als een standbeeld, maar haar innerlijk bruist van heftige, wilde gevoelens. Wat was dit voor schoonheid? Zoiets moois had ze nog nooit gehoord! Doodstil staat ze te luisteren; de man speelt door, ook fuga’s van Bach behoren tot zijn repertoire. Het concert duurt een halfuur. Na afloop komt een oude dame op het kind toe en vraagt:
“Wil je niet gaan zitten de volgende keer? Hij speelt iedere woensdag.”
Het meisje knikt, verlegen, bleek.
De dame streelt haar over het hoofd.
‘Gelukkig maar dat ze niet vraagt waar haar ouders zijn!!!’, denkt het kind.

ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ

Pieter Ruloffs werd gevraagd bij de heer Vermeent van het managementteam te komen. Het onderhoud was al een week tevoren aangekondigd. Enigszins nerveus betrad Pieter de ruimte. Het was eigenlijk een vergaderzaal, maar voor dit doel uitgekozen om Pieter te impressioneren en monddood te maken. Niet dat dit hem verteld was natuurlijk, maar zo had Vermeent het besproken met ‘t Land.
‘t Land bevond zich in warmere oorden, Vermeent was de enige aanwezige in de grote, strakke, kille ruimte.
Pieter trad binnen.
“Neem toch plaats, Pieter!”, zei Vermeent hartelijk. Ook zijn hartelijkheid was gespeeld zoals alles wat Vermeent deed gespeeld was, maar het ontging Pieter.
“Ik mag toch Pieter zeggen, niet?”, vroeg Vermeent quasi-joviaal, “We kennen mekaar toch!” Pieter kon zich niet herinneren de man ooit gezien te hebben; zijn naam had hij wel gehoord, maar vroegere contacten verliepen altijd via de heer Van der Burg, een vriendelijke oudere heer, die eruit-gerangeerd was door Vermeent en ‘t Land.
“Ik heb begrepen dat je een uitstekend klavecinist bent, Pieter,” begon Vermeent, “Dat kan ik zelf beamen, want ik heb ook wel eens incognito een van je halfuur-concerten op de klavecimbel bijgewoond!” Dat was helemaal niet waar; Vermeent vond klassieke muziek oninteressant, en zeker van die oude rommel die niet eens op een piano maar op een clavecijn werd gespeeld. Het zei hem niets.
“Ik doe mijn best!”, zei Pieter Ruloffs, “Het is wel veel werk natuurlijk voor die 60 euro per keer. Want iedere week moet ik nieuwe stukken ten gehore brengen, die ik dan vooraf thuis moet instuderen.”
Vermeent knikte popachtig-vriendelijk. “Begrijpelijk, begrijpelijk! Toch… hoe moet ik het zeggen… Wel, m’n beste, ik ben bang dat ik vervelend nieuws voor je heb!”
Pieter Ruloffs keek vragend op.
“Het spijt mij werkelijk dit te moeten zeggen, maar laat ik er niet verder omheen draaien! We moeten allemaal de broekriem aantrekken in Nederland, ook de musea. Om een lang verhaal kort te maken: ik moet je laten gaan!” Pieter was verbouwereerd en geschrokken; had hij gehoopt op een kleine honorarium-verhoging, nu werd hij ontslagen! En die 4 keer 60 euro in de maand vormden een niet onaanzienlijk deel van zijn maandelijkse huurbetaling!
“Meent u dat nou? Zo hoog zijn de kosten toch ook weer niet! Zeker gezien alle uren voorbereiding die ik er thuis nog insteek!”
“Helder, helder, mijn vriend! Helder als glas! Maar het is nu eenmaal niet anders. Iemand met jouw talent vindt ongetwijfeld snel ergens een nieuwe positie!” Dat bij het vinden van een nieuwe positie heel wat meer kwam kijken dan muzikaal talent, daarover begon Pieter maar niet.
Hij keek teleurgesteld; eerlijk als hij was, was de emotie die hij op dat moment voelde, afleesbaar van zijn gezicht. Vermeent zag het en zei: “Je mag natuurlijk gewoon blijven komen iedere woensdagmiddag. Je concerten worden zeker gewaardeerd! We kunnen je alleen geen vergoeding meer betalen.” Pieter knikte en vroeg of hij hier even over na mocht denken. Dat was geen probleem en zo namen ze handen schuddend afscheid. Vermeent met een vriendelijk gezicht maar bij zichzelf denkend: ‘Zo, eindelijk verlost van die vervelende kunstenaars-kwibus. Nu kan ik mij aan serieuzere zaken wijden.’
Pieter met een donker gezicht en sombere gevoelens.

ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ

Pieter bleef in eerste instantie komen op de woensdagmiddag. Betaald kreeg hij dan wel niet meer, maar misschien zou er toevallig iemand in het publiek zitten die zijn spel mooi vond en een ander baantje voor hem had. Het bleek moeilijk. Na enige weken werden de banken voor het publiek weggehaald, zodat niemand meer kon zitten.
Op vragen van Pieter hierover aan Vermeent, zei die dat de banken elders nodig waren, maar dat zijn spel zó mooi was, dat de mensen het er zeker voor over hadden om staand te luisteren.
Dat viel om begrijpelijke redenen tegen: het voornamelijk uit ouderen bestaande publiek bleef weldra weg. Er was alleen nog een meisje, een kind van een jaar of negen, dat Pieter al eerder was opgevallen. Ze stond in een hoek, nauwelijks zichtbaar achter een pilaar en ze kwam iedere week. Uiteindelijk was het kind zijn enige publiek.
Die avond kon Pieter de slaap moeilijk vatten. Moest hij er niet mee stoppen, met dit idiote concerten geven voor niemand? Nou ja, dat kind dan. Maar verder kwam er niemand meer. Een enkele maal bleef een museumbezoeker kort staan om naar zijn spel te luisteren, om vervolgens weer door te lopen. Spelen zonder betaald te krijgen, en nu ook nog zonder publiek!!! Uitzichtloos en om wanhopig van te worden. Had hij maar meer werk, maar wie zat er nou om een klavecimbelspeler verlegen? Minder en minder werden de mogelijkheden; vroeger ging het nog wel een beetje, maar als je tegenwoordig aan kinderen vroeg wat een klavecimbel was, dan hadden de meesten geen idee. Of het een nieuwe game was?
Laat maar.
Maar dat kind in die hoek, dat kind dat zich nauwelijks durfde te vertonen… moest hij voor haar niet blijven spelen? Dan kon hij toch nieuw repertoire uitproberen en voor de rest zoeken naar andere optreed-mogelijkheden. Hij sliep in.

ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ

Anne kon niet in slaap komen die nacht. O, wat hoopte ze dat die meneer zou blijven spelen op zijn mooie instrument!!! Ze wist niet hoe het ding heette, het leek op een piano maar dan ouderwetser, en het klonk zo heerlijk, zo vervullend en zaligmakend, zo hoopgevend, en zo edel.
Maar er kwam geen publiek meer; de bankjes hadden ze ook al weggehaald. Natuurlijk kwam zíj wel, maar ze durfde zich niet goed te laten zien, uit angst dat ze misschien helemaal niet mocht komen. Moest je niet een extra kaartje betalen voor het concert? Ze wist het niet. Daar kwam nog bij, dat ze aan haar ouders vertelde dat ze bij een vriendin ging spelen, want alleen naar het museum mocht ze niet. Dat kon ook beter niet uitkomen.
Maar ze zou blijven komen, dat wist ze zeker van zichzelf. Het was te mooi. Misschien was het wel strafbaar wat ze deed; misschien zou ze in de gevangenis komen…
‘Dat moest dan maar,’ dacht ze heldhaftig bij zichzelf, dat had ze er wel voor over.

ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ

Pieter bleef komen. Anne ook. Na een halfjaar zo geconcerteerd te hebben, stapte Pieter na afloop van een concert op haar af. Anne schrok en wilde snel wegrennen, maar Pieter was hier door het merkwaardige gedrag van het meisje al enigszins op voorbereid. Daardoor had hij het kind vlot te pakken. Hij greep haar bij de arm, niet hardhandig maar ook niet bepaald zachtzinnig, want het meisje was als een vis die spartelde om te ontkomen.
“Hoe heet je?”, vroeg Pieter.
“Niks,” zei Anne.
Pieter moest lachen: “Wat een aparte naam! Wil je niet even gaan zitten? Ik bijt niet, en ik eet je ook niet op. Je houdt toch van muziek? Nou dan, ik ook, zó veel dat ik er mijn vak van heb gemaakt.”
Anne zuchtte en verweerde zich niet meer. Ze gingen zitten en voor Pieter nog maar iets kon zeggen, stortte het kind haar hele hart uit. Over hoe ontzettend veel ze van zijn concerten hield, maar dat ze er thuis niet over durfde praten, uit angst voor de gevangenis en de doodstraf.
Pieters wenkbrauwen schoten omhoog: in ieder geval een kind met een rijke fantasie!
Dat ze thuis vertelde dat ze bij een vriendinnetje ging spelen, want alleen naar het museum mocht ze niet… Pieter besloot haar een paar dingen uit te leggen: om te beginnen maar dat de doodstraf in Nederland niet bestond. Ten tweede dat op het luisteren naar mooie muziek geen enkele straf stond, en ten derde dat hij met haar mee zou lopen naar huis om haar ouders alles te vertellen en voor te stellen dat zij klavecimbel-les bij hem zou nemen. Anne viel van de ene verbazing in de andere, maar ze zei wel snel: “Niet naar mijn huis meekomen, hoor! Stel je voor dat ze nee zeggen!”
“Dan hebben we het in ieder geval geprobeerd,” zei Pieter.

ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ

De vader van Anne was vroeg van zijn werk thuisgekomen, en zo kwam het dat Pieter beide ouders aantrof. Hij vertelde kort waar het over ging en stuitte op geen enkele weerstand bij de ouders, integendeel: die waren enthousiast dat de verlegen en wat angstige Anne een nieuwe hobby had gevonden.
“Ik denk niet dat het een hobby voor haar is,” zei Pieter, “Passie lijkt me het juiste woord.” Toen vertelde Pieter over zijn plan om haar les te gaan geven. “Natuurlijk!”, zei de vader van Anne enthousiast, “Zeg maar wat het kost!”
Even was Pieter verbaasd over deze vraag, want voor zichzelf had hij al besloten het kind les te geven, ook als dit gratis zou moeten - maar hij noemde zijn normale prijs. “Prima,” zei de vader, “Misschien dat ze –gezien haar enthousiasme- iets langer dan normaal les kan krijgen? Dat bereken je dan maar door in de prijs!” “Ik moet wel nog toestemming aan het museum vragen,” zei Pieter voorzichtig.
Vermeent ging akkoord en bewonderde dit keer –zonder dat hij het overigens uitsprak- toch wel die kunstenaar die zo volhardend vocht voor zijn werk.
Pieter gaf de lessen in een aparte hoek ná de concerten. Het instrument was licht en makkelijk verrijdbaar, zodat Pieter het zelf kon verplaatsen.
De banken werden teruggeplaatst, entree werd geheven en de reputatie van Pieter Ruloffs als klavecinist groeide.
De vriendin van Anne wilde ook les, en binnen een jaar had Pieter een aardige lespraktijk in het museum.
Nog een jaar later was zijn faam als klavecinist dermate groot, dat hij ook aanbiedingen kreeg om te concerteren in andere steden, zelfs andere landen.

ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ

Pieter Ruloffs stierf toen hij vierenzeventig jaar was. Anne had hij ingewijd in alle geheimen van de klavecimbel en het clavichord ; ze was een wereldberoemd klaveciniste geworden, en trad op in Europa, Japan en Nieuw-Zeeland.

EINDE MOOI VERHAAL VAN FREDERICK

Geschreven door Frederick Haverkate
Alle rechten voorbehouden
Copyrighthouder: F. Haverkate/Nieuwe Sprookjes

Alle rechten voorbehouden. Niets uit dit werk mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door printen, opnemen of op enig andere manier, zonder voorafgaande toestemming van F. Haverkate/Nieuwe Sprookjes. Het is toegestaan overeenkomstig artikel 15a van de Auteurswet gegevens uit dit werk te citeren in artikelen, scripties en boeken, mits de bron op duidelijke wijze wordt vermeld, alsmede de aanduiding van de maker/copyrighthouder van dit werk.

Wuivende Takken

Wuivende Takken

Geschreven door Frederick Haverkate
Alle rechten voorbehouden
Copyrighthouder: F. Haverkate/Nieuwe Sprookjes

Vanaf 10 jaar

(Zanderijdorp, 1973)

Cornelia zat voor het raam. Als altijd. De zanderige vlakte vóór haar, hier en daar wat duindoorn, aan weerszijden bomen. De zee was niet ver.

●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●●

Flegmatiek. Zo gevoelde zij zich. Soms apathisch, lusteloos. De dagen regen zich eentonig aaneen, de ochtenden waren lang, de avonden doods. Zij zat en keek. Soms keek zij werkelijk –men zag het door de flauwe glimlach die dan om haar lippen speelde-, meestal staarde zij: de ogen geopend was zij in een wereld die niet was. Niet meer was. Een onwereld, een onbenoembare wereld van concreetloosheid. Een wereld die amorf was? Nee, onwereld verwoordde het beter: zij dacht niet, niet aan heden noch verleden, zij zag het uitzicht van zanderigheid en duindoorn voor een vijfde. Had iemand haar aangestoten, en gezegd: "Zie je hoe de duindoorn ginder begint te bloeien?", ze zoude geknikt hebben en haar blik zou weer in het nu terecht zijn gekomen. Maar er was niemand. Bezoek kwam er zelden, eenmaal per maand haar zoon, met zijn vrouw en drie kinderen. Dan werd de Bijbel getoond, de kleinste Bijbel van de wereld. Een minuscuul boekwerkje dat bewaard werd onder een glazen stolp. De tekst bestond uit louter Het Onze Vader, onooglijk klein gedrukt, maar toch leesbaar. Met een loep.

●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●●

Zij was vierennegentig jaar en zij voelde zich haar leeftijd. Zeer oud, ouder dan stokoud want lopen deed zij niet meer, ook niet met een stok. Andere hulpmiddelen waren er niet, behalve dan een ouderwetse rolstoel. Wie zou die echter rijden? Verplegend personeel had geen tijd.
Toch had zij lange tijd gelopen, gewandeld met haar stok. Een klein ommetje, niet meer dan een kwartier, maar de waarde ervan voor Cornelia was in geld noch goud uit te drukken. Tot zij gevallen was, die keer van het keffertje. Een loslopende hond, zo’n klein mormel dat niets anders doet dan schril blaffen. Als vierjarig kind was ze al eens gebeten door zo’n wanschepsel; de wond was geheeld, de afkeer van honden gebleven.
Nu liep ze hier, alleen, en het hondje maakte haar aan het schrikken met zijn geblaf; het liep om haar heen, springend en keffend en haar boze gezwaai met de stok maakte het jonge hondje nog wilder. Toch leek alles goed te gaan: het keffertje droop af en Cornelia vervolgde haar wandeling. Wel was ze moe en aangedaan –lette ze daardoor minder goed op dan anders?-; één losliggende stoeptegel en het was gedaan: Cornelia maakte een lelijke smak en kwam ongelukkig op het harde stenen plaveisel terecht.
Sindsdien had zij niet meer gewandeld, haar rechterbeen was gevoelloos geworden, zij moest het op een separate stoel leggen met een plaid eroverheen. Zo zat zij de dag, zo keek zij naar de wuivende takken der bomen, zo hoopte zij dat het half twaalf werd, want warm gegeten werd er ‘s ochtends om elf uur dertig.

●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●●

Zij hield ervan wanneer het waaide, want dan wuifden de takken naar haar. Zij ervoer het als groet, en zij zwaaide terug, met een krachteloos, doch beschaafd koninginnenhandje, maar natuurlijk alleen wanneer er geen verpleger in het vertrek aanwezig was. Anders zouden ze denken dat ze gek was geworden.
Deze ochtend had God de wind vrij spel gegeven: ruiste hij aanvankelijk nog door de bomen, nu begon hij te suizen en blazend te joelen, stoeiend met de takken, en genietend van het gekraak ervan. De wind beschouwde zich niet als van God gegeven: de wind was Aeolus, hij was zèlf god, machtig en gevreesd, daverend en denderend, imponerend en impulsief!
Kijk, daar gaven de bomen hun eerste takken prijs; ‘Die wuiven niet meer,’ grimlachte Aeolus, die waren hem ten offer gevallen.

●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●●

Op een avond was er rumoer; een man in een gele trui was gesignaleerd, hij liep ongeoorloofd door het tehuis. De politie werd gebeld, een agent verscheen een uur later ter plaatse.
In Zanderijdorp was geen politie, de enige dienstdoende agent bevond zich in Zandstad en de melding werd niet als spoedeisend ingeschat. Door de politie wel te verstaan; de oudjes dachten hier heel anders over.
Cornelia hoorde de gil van een andere bejaarde op de gang; dit was de vrouw die de man in de felgele trui had gezien. Naar Cornelia later hoorde, had de man woest met zijn armen gezwaaid; zijn gezicht had grimmig gestaan, zijn ogen hard.
Thérèse –de vrouw die de gil slaakte- was aardig overstuur geraakt, de man was niet weggegaan nu hij gezien was, hij bleef door de gangen lopen, zodat ook andere bewoners hem zagen. Een tachtigjarige man zwaaide dreigend met zijn stok… pas toen had de gele kerel het op een lopen richting uitgang gezet. Toch was men er niet zeker van of hij gebouw en terrein daadwerkelijk had verlaten.

●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●●

De volgende dag bleek dat het om een schijnvertoning was gegaan: op hetzelfde moment dat de man in de knalgele trui rondgespookt had door het tehuis, was er in een van de villa’s in de nabije omgeving ingebroken. Het was keurig getimed geweest: de inbraak vond plaats precies op het moment dat de enig beschikbare agent met de nachtzuster van het tehuis aan het praten was.
Loeiende sirenes en felle hort-stoot-lichten die de villa van zich had gegeven, hadden niet mogen baten, de eerstvolgende villa lag vèr buiten gehoors- en gezichtsafstand.
De vrouw des huizes had na thuiskomst bitter moeten wenen om het verlies van haar juwelen en sieraden. Daar waren erfstukken bij die een waarde vertegenwoordigden die niets met geld te maken had. Een broche had nog aan haar betovergrootmoeder toebehoord.
De man maakte zich wel zorgen om geld: de kluis was opengebroken, een fors kapitaal was verdwenen. Toch had hij het meeste last van de wetenschap dat er indringers in zijn huis waren geweest. Overal in zijn huis. Van woon-, zit- en eetkamer tot bad- en slaapkamer. Plekken waar alleen zijn vrouw en hij plachten te komen, waar zij intieme gesprekken hadden over het moeizame leven dat ze hadden geleid, over hun vechtlust, hun niet op willen geven, gesprekken waar niemand dan zijzelf weet van hadden. Waarom denken zovelen dat rijke mensen geluk in overvloed hebben? Deze man en vrouw hadden het leven niet zo ervaren; het had lang geduurd voor het bedrijf van de man succesvol was geworden; er waren talrijke momenten van wanhoop geweest, temeer daar zijn vrouw in diezelfde tijd van bedrijfsworstelingen ernstig ziek werd.

Het echtpaar was zeer bedroefd om de inbraak; ze herstelden moeilijk.

●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●●

De rust in De Zandhof was hersteld; alles ging weer zijn vertrouwde gang. Een enkele maal had Cornelia wat nodig uit de kelder, een grote opbergplaats waar iedere bewoner zijn privé-plek had. Deze keer kreeg zij dit idee op het verkeerde moment: het maandelijkse bezoek van haar zoon was net geweest en alleen wilde ze niet gaan.
Ze kon een verpleger vragen, dat was mogelijk, hij zou haar dan in die donkere gewelven begeleiden.
Maar het kostte haar te veel; ze wilde niet tot last zijn en de tijdsschema’s van het personeel waren nu eenmaal strak en zonder veel ruimte.
Dus deed zij wat zij haar hele leven gedaan had: zij wachtte. Wellicht werd zij daarom zo oud? Door leed geduldig te dragen, door immer kalm en beheerst te blijven, door hare lankmoedigheid… zij vond het goed; wel… honderd wilde ze niet worden, het leven was geen sport en er was geen wedstrijd ‘wie de oudste kon worden’. Ze konden wel hoor, die bejaarden, hier in het tehuis liepen er verschillende rond: een van honderdenvier, een van honderdeen, en drie die negenennegentig waren. Daar werd heesjes en ouwig over gelachen en gegniffeld, die drie trokken frequent met elkander op met geen ander doel dan over en weer te praten en te zeuren: “De honderd haal alleen ik van ons drie!”, piepte de man van het stel, die een vrouwenstem had.
“Jij de honderd halen, poeh!”, blufte een der vrouwen, “Ik ga nog eerder dood dan dat dàt bewaarheid wordt!”
“Precies juist geformuleerd!”, speenvarkte het manneke weer.
De derde van het gezelschap –de op twee maanden na honderdjarige Agaat- hield het voor gezien: “Ik sterf liever dan dit gesprek verder te voeren!”, zei ze met galgenhumor.
“Doe dat vooral!”, piepte de grijsaard weer, “Dan word ik de overwinnaar!”

●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●●

Cornelia ving wel eens flarden van zulke gesprekken op in het gangpad; hoofdschuddend schuifelde ze langs: “Jullie eeuwige rivaliteit… het wordt jullie dood nog eens!”, zei ze in het voorbijgaan om ook een duit in het zakje te doen.

●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●●

De dag was aangebroken dat de kelder bezocht kon worden; haar schoondochter was er niet, maar haar zoon en jongste kleinkind vergezelden haar. Met de lift naar beneê, en zij betraden weldra de spookgewelven. Om hun bezit te beschermen tegen stof, hadden de bewoners witte lakens over hun spullen gedrapeerd; elektrisch licht was er slechts per groep; Cornelia’s goed bevond zich in groep D, dus werd ook alleen die sectie verlicht. Het hoofdgangpad werd beschenen door zwaklicht, zodat het geheel een griezelige aanblik bood.
Cornelia huiverde en stak haar arm dieper in bij haar zoon. Timo, de jongen, had een zaklampje meegenomen -want hij kende reeds het klappen van de zweep- en dat was maar goed ook, want de sectie-verlichting was volstrekt ontoereikend om de door Cornelia gezochte objecten te vinden.
Timo vond het eng, maar wel spannend; hij was blij met zijn lampje dat hij van zijn zakcenten gekocht had en hij was verheugd dat hij er zijn oma zulke goede diensten mee kon bewijzen. Wel zorgde hij ervoor steeds dicht bij zijn vader te blijven; soms permitteerde hij zich een klein uitstapje, hij wilde groep E wel eens bekijken, maar zijn privé-investigaties hadden weinig om het lijf. Zijn vader kende zijn zoon en wist dat hij hem niet in de gaten hoefde te houden; ver weg zou Timo toch niet durven.
Het was een gescharrel en het duurde twintig minuten, voordat de gezochte kleinoden –een vaasje en twee bekers- zich dan eindelijk in grootmoeders oude handen bevonden. Timo was blij dat het erop zat en hij keek steels naar de handen van zijn oma: ze waren zeer oud, maar ook zeer mooi. Handen die kennelijk nooit ruw werk hadden hoeven verrichten, want in hun ouderdom hadden zij niets van hun oorspronkelijke verfijning en gratie verloren.
Soms keek Timo ook naar de ogen van zijn grootmoeder: middelgrote, grijze ogen, die appreciatie uitstraalden. Timo vond er deze woorden niet voor, maar hij keek zoveel hij kon, sprak zijn grootmoeder immers zelden een woord met hem. Zijn vader -ook al iemand van weinig woorden en van geringe belangstelling- geleek haar. Of het Timo goed ging? Of hij zich fijn voelde, leuk gespeeld had? Dergelijke vragen werden niet gesteld, dus kéék Timo. Naar de milde ogen van zijn oma, naar de harde blauwe kijkers zijns vaders. Naar de bittere trekken rond de mond van zijn papa, naar de engelen-lijnen die de mond zijner grootmama omspeelden. Zijn oma zag er liever uit. Misschien omdat ze oud was? Oude mensen worden vriendelijk, had Timo voor zichzelf besloten. Waarschijnlijk omdat ze stil mogen zitten. Op een stoel. Ze krijgen te eten, maar ze hoeven niet te koken. Ze mogen naar buiten kijken zolang als ze willen. Ze hoeven niet naar school en ze hebben geen werkgever die ze toesnauwt als hun arbeid te wensen overlaat.
Het leek Timo erg fijn: hij kon niet wachten met oud zijn. Wanneer dat gebeuren zou? Iedere ochtend keek hij in de spiegel, maar zijn lieve jongensgezichtje zag er steeds net zo uit als de dag tevoor. Dezelfde verfijning, dezelfde grijsblauwe oogjes, die lief en ietwat angstig de wereld in tuurden. Dezelfde kuiltjes in zijn witte wangetjes, dezelfde lippen die naar lachen stonden. Misschien werd hij pas volgende maand oud. Of na de zomervakantie. Dat leek hem erg lang duren, dus daarom besloot hij maar de voordelen van jong zijn op te noemen. Dat waren er eveneens vele. Je mocht schreeuwen zonder dat iemand je gek vond. Je mocht op straat spelen, springen, voetballen, over slootjes springen in de authentieke hoop dat je zou falen -hetgeen meestal ook gebeurde- zodat je een natte broek haalde. Dat mocht allemaal; je kreeg er wel standjes voor, maar niemand zei dat je vreemd was. Als je jong was, was het normaal. Maar als zijn grootmoedertje ineens over slootjes wilde gaan springen… men zoude haar overplaatsen naar de afdeling psychogeriatrie, de plek voor gekke oudjes.

●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●●

Cornelia zuchtte. Zij keek uit het raam. Als altijd. De duindoorn vóór haar, de bomen aan weerszijden. De zee was niet ver.

●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●● ●●●●●

Sereen.
Zo gevoelde zij zich. Kalm, gerust. Stil.

De flauwe glimlach die haar zeer oude lippen zo dikwijls omspeeld had, veranderde. In een lichte glimlach, een vredige. Een clemente.

Even hunkerde zij nog, naar haar bomen, naar haar wind.
Waar was haar minnaar gebleven? Waar was Aeolus? Zij miste zijn zuchten, zijn kreunen, zijn extatisch gejubel. Zijn armen van ether, zijn doorschijnend gelaat.

Oh ja, daar zag zij haar onzichtbaar’ amant.

Zij werd hem gewaar door zijn daden: het steunen der takken en het vallen der blaêren. Hij begeerde haar: hij begon te bulderen en te razen, te gieren en te fluiten tot hij verstomde en men hem nog slechts huilen hoorde.

Geluidloos ving Cornelia eveneens aan te schreien. Zij slaakte een laatste zucht…

Toen nam haar minnaar haar òp…

mee…

weg.

De takken wuifden.

Ten groet.

EINDE MOOI VERHAAL VAN FREDERICK

Geschreven door Frederick Haverkate
Alle rechten voorbehouden
Copyrighthouder: F. Haverkate/Nieuwe Sprookjes

Alle rechten voorbehouden. Niets uit dit werk mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door printen, opnemen of op enig andere manier, zonder voorafgaande toestemming van F. Haverkate/Nieuwe Sprookjes. Het is toegestaan overeenkomstig artikel 15a van de Auteurswet gegevens uit dit werk te citeren in artikelen, scripties en boeken, mits de bron op duidelijke wijze wordt vermeld, alsmede de aanduiding van de maker/copyrighthouder van dit werk.