Inleiding tot het taoïsme

Het taoïsme kent geen God en ook geen afspiegeling van menselijke eigenschappen in een opperwezen. Hiermee is het taoïsme abstracter en minder toegankelijk dan de grote wereldreligies en het heeft derhalve ook minder aanhangers.
Erg bijzonder in het taoïsme is het benadrukken van zuiverheid en mildheid: krachtig worden door zachtaardigheid. Elk godsbeeld is een spiegel van menselijke emoties: de God van de Bijbel kan toornig worden, maar ook wroeging hebben. Zo gaat het bij alle goden en bij elke idee van God. Het diepe probleem dat ikzelf hierbij ondervind, is dat God op deze manier niet heel erg boven het menselijke uitstijgt en daardoor mensen te weinig verheft.
Het taoïsme gaat over ‘zijn’, over de geest ledigen en zuiveren om tot Het Niets te komen: men tracht zo tot zelfinzicht te geraken. Daarmee staat het taoïsme op een zeer hoog emotioneel plan. Er wordt nooit over wraak gesproken (anders dan in alle grote wereldreligies), nee: het taoïsme is een uitnodiging tot persoonlijke emotionele groei, tot een dieper besef van wie men is en wat de eigen mogelijkheden zijn wanneer men moeilijkheden te overwinnen heeft in zijn leven.

Om al deze redenen raakte ik sterk gefascineerd door het taoïsme en ik besloot tot het schrijven van nieuwe taoïstische geschriften. Overpeins de volgende geschriften, neem ze serieus en lach erom, lees en herlees ze en waardeer de eenvoud ervan die meestal pas kon ontstaan na een lange lijdensweg.

Frederick Haverkate

Fredericks tao© van het hart

Kiezelhoofdje is al heel lang ongelukkig. Ze besluit er iets aan te doen. Ze bezoekt erg veel mensen die haar zouden kunnen helpen, van medici, kruidendokters, gebedsgenezers, tot psychologen en psychiaters in Zwitserland.
Het resultaat is dat ze nog even ongelukkig is als voorheen. Ze besluit terug te keren naar China, en Meester Grijs om raad te vragen.
Ze maakt een buiging voor hem en vertelt: "Alles heb ik geprobeerd, u bent mijn laatste hoop!" Ze vertelt over alle mensen die ze bezocht en aan wie ze soms veel geld betaalde om te genezen van haar somberheid en lusteloosheid. Geen van deze bezoeken leidden tot een positief resultaat. Ze is even somber als vroeger, alleen is haar portemonnee nu leeg.
Meester Grijs kijkt haar diep in de ogen, zijn trouwe grijze ogen gaan recht bij haar naar binnen, zodat hij haar zielen* kan zien. Dan neemt hij haar tengere handjes in de zijne en zegt: "Zoveel mensen heb je bezocht, en de enige die je kan helpen ben je vergeten!"
"Wie is dat dan?", stamelt Kiezelhoofdje hees.
"Jij."
*Volgens de gangbare leer in de late Chinese Oudheid heeft één mens verscheidene zielen, zowel lichte (‘hun’) als zwaardere (‘po’).

FREDERICKS TAO© VAN HET HART

Vleespastei en Worteltaart hebben een gesprek.
"Wat ben ik toch blij dat ik vlees eet!", zegt Vleespastei, "Op deze manier kan ik altijd eten waar ik van hou!"
Worteltaart knikt instemmend, dan zegt hij: "Wat ben ik toch blij dat ik vegetariër ben! Op deze manier kan ik altijd eten waar ik van hou!"

FREDERICKS TAO© VAN HET HART

De Kale Zoon maakt zich zorgen om zijn vader, De Kale Vader.
Hij bespreekt diens toestand met zijn Zusje Weiniglok.
"Ons pa ligt nu al jaren op sterven! Dat kan toch niet goed zijn! De artsen gaven de hoop al jaren terug op, maar dood gaat hij niet. Zo is het een lijdensweg geworden, een marteling voor iedereen. Kunnen we niet iets doen?"
"Ik begrijp het ook niet, broederlief," zegt Zusje Weiniglok, "Misschien hoort het wel zo te zijn. Dan moeten we het maar accepteren."
"Dit is onacceptabel!", zegt De Kale Zoon, "Mijn vader heeft pijn, hij is in tweestrijd, hij leeft niet meer, maar hij is ook niet dood. Als je hem aanspreekt antwoordt hij, maar hij is er niet. Als je hem aanraakt, beweegt hij zonder dat de status van zijn lichaam verandert . Het is verkeerd, mijn vader mag niet lijden!"
Tot diep in de nacht overleggen De Kale Zoon en zijn Zusje Weiniglok met elkaar. Uiteindelijk komen ze tot het besluit om naar De Grijze Meester te gaan. Hij is de enige die raad kan verschaffen.
Het is een reis van enkele dagen voordat De Kale Zoon De Grijze Meester bereikt. Die eet: rijst met vlees, en hij drinkt uit een kom: rijstwijn. Hij smakt en boert goed; De Kale Zoon is verbijsterd. "Ben ik wel goed hier? Bent u De Heilige Kluizenaar, De Grijze Meester?"
"Die ben ik," zegt Meester Grijs.
"Maar ik zie u eten; u boert en smakt. Nog even en u gaat winden laten! Dat is toch volledig ongepast voor iemand als u?"
De Grijze Meester veegt vergenoegd zijn mond af en hij kijkt De Kale Zoon met een heldere, vriendelijke glimlach aan.
Dan spreekt hij een woord uit: "Zit!"
De Kale Zoon gaat zitten.
De Grijze Meester vervolgt met meer woordspuugsels: "Als wat je net zei, is wat je werkelijk denkt, dan heb je nog helemaal niets van mij begrepen en dan ben je zeer ver van de Tao verwijderd."
De Kale Zoon wil zijn mond opendoen om te riposteren, maar Meester Grijs onderbreekt hem: "Zwijg! Laten we praten over je vader, want daarvoor ben je hier!"
Nu raakt De Kale Zoon onder de indruk omdat Meester Grijs weet dat hij voor zijn vader gekomen is zonder dat hij dat verteld had en hij doet zijn verhaal.
"Het is angst of getrek," zegt De Grijze Meester.
De Kale Zoon kijkt vragend op.
"Wanneer iemand er zo lang over doet om te sterven, dan is hij bang om te sterven, erg bang. Als dat het niet is, dan sterft hij niet omdat er aan hem getrokken wordt om hem hier te houden. Hoe vaak bezoek je hem?"
"Ikzelf bezoek hem iedere middag, mijn zusje iedere ochtend en we proberen altijd nog enkele keren per week vrienden en kennissen over te halen om mijn vader te bezoeken in de vroege avond!"
"Stop daarmee! Blijf weg! Bezoek je vader niet meer, en zorg ervoor dat hij niet door anderen bezocht wordt. Jullie bezoeken zijn zijn bezoeking. Laat hem los, gun hem zijn rust. Hij heeft vrede verdiend!"
"Maar ik kan toch niet mijn vader opgeven?", hakkelt De Kale Zoon bijna huilend, "Dat is afschuwelijk! Hoe zou ik ooit zonder mijn vader kunnen leven?"
"Je hebt zojuist de vraag waar je mee kwam beantwoord! Ga en doe wat ik je gezegd heb."
Triest verlaat De Kale Zoon de berg waarop Meester Grijs thans verblijft. Hij keert terug naar huis en brengt zijn zusje verslag uit. Die slaat een arm om hem heen en zegt: "Misschien moeten we maar doen zoals De Heilige Meester zegt."
"Ja," knikt de zoon en een traan vliedt uit zijn oog.
De dag erop besluit De Kale Zoon zijn vader niet te bezoeken, hij haalt ook niemand anders over om bij zijn vader op bezoek te gaan; zijn zusje komt evenmin.
De Kale Vader gaat rechtop in zijn bed zitten. De verpleegster komt langs en zegt: "Geen bezoek vandaag, meneertje?"
"Nee," zegt de zeer oude man en hij haalt opgelucht adem, "Geen bezoek."
Een uur later is hij dood.

FREDERICKS TAO© VAN HET HART

Fredericks tao© van de wereld

Schamel zit bij een beekje. Hij heeft een hemd aan dat tot op de draad versleten is. Zijn broek vertoont scheuren en vlekken. Hij tuurt in het water en rookt een pijp.
Dan komt Feestelijk langs. Zij heeft een schitterende auberginekleurige jurk aan en draagt zwarte lakleren laarsjes. Ze ziet Schamel bij het beekje zitten en schudt meewarig het hoofd: "Moet je kijken hoe je eruitziet! Vieze, oude kleren, en nog gescheurd ook! Heb je dan geen enkel zelfrespect, dat je er zo bijloopt? Kan een mens nog waardelozer zijn dan jij?"
Schamel kijkt op en zegt: "Zeker, dat kan."
"Wie is er dan in ‘s hemelsnaam nog waardelozer dan jij?"
"Jij," zegt Schamel.
"Niet alleen ben je vies, je bent nog gek ook!", roept Feestelijk uit.
"Zo is het niet. Ik heb het niet nodig gehad iemand uit te schelden. Jij wel. Ik vind alles goed zoals het is. Jij niet. Ik vind het goed zoals jij gekleed gaat en ik vind het ook goed zoals ik gekleed ga. Jij niet en daarom ben je minder waard dan ik."

FREDERICKS TAO© VAN DE WERELD

Eenbenige Akira-Kanaye zit naast De Grijze Meester op het gras.

De Meester onderricht hem over de Veranderlijkheid der Dingen.
"Er is niets wat niet veranderlijk is," zegt De Meester, "Er is niets wat niet in beweging is."
Het begint zachtjes te regenen.
"De regendruppel is het bewijs ervan. Nu is hij nat, over een maand is hij hard, na nog een maand is hij zacht en enige maanden later is hij weg>"
Akira-Kanaye zegt: "Mijn vader is onbeweeglijk. Hij is nu precies zoals hij tien jaar geleden was. Ik zeg hem dat hij moet veranderen en met zijn tijd mee moet gaan, maar hij zegt dat het verkeerd is op zijn leeftijd. Dat je moet conserveren wat je hebt en het Ene bewaren. Wie heeft er nu gelijk?"
"Er bestaat geen gelijk, omdat er geen ongelijk bestaat. Wat jouw vader met onbeweeglijkheid bedoelt, is de zachte verandering der ouden. Wat jij beweging noemt, is de verplaatsing van je lichaam. Een jongeling gebruikt het instrument ‘actie’ als uiting van beweging; de grijsaard gebruikt het instrument ‘geest’ als uiting van beweging. Er is geen stilstand mogelijk, want die zou in strijd met de Tao zijn en niets is in strijd met de Tao, dat is onmogelijk."

FREDERICKS TAO© VAN DE WERELD

Hashi-Wahan is oud. Zijn haren zijn niet meer zwart en niet meer grijs. Zij zijn wit.
De Grijze Meester ziet hem zitten, op de grond voor zijn huis.
"Ik ben bang," zegt Hashi-Wahan.
"Nee," zegt De Grijze Meester.
"Ik ben bang om dood te gaan."
"Nee, je bent dom."
"Ik begrijp het niet," zegt Hashi-Wahan.
"Waarom zit je op de grond?", vraagt De Grijze Meester.
"Uit ootmoed. Om me te vernederen voor de dood zodat hij goedgunstig gestemd raakt."
"Want ik ben erg bang voor hem," herhaalt Hashi-Wahan.
"Je kunt niet bang zijn voor de dood," zegt De Grijze Meester, "want dat is in strijd met de Tao. Daarom ben je dom, niet bang. Je weet niet wat dood is, dus ben je bang. Je weet niet dat er niets te vrezen valt en dat sterven de ultieme levenservaring is, waarin je één wordt met de zin van je leven, in één klap, als een lichtpijl. Niets blijft onbegrepen voor je als je sterft, niets uit je leven zul je betreuren, want dat is in strijd met de Tao. Maar dit alles weet je niet omdat je dom bent. Nu denk je dat je bang bent. Dat is domheid op domheid! Hoe kan een mens zo sterven!"

FREDERICKS TAO© VAN DE WERELD

De Vogel is eenvoudig. Als hij vliegt, is hij blij. Als hij met zijn vleugels vastgevroren zit, heeft hij pijn. De Vogel begrijpt het leven, de Mens niet. De Mens wil pijn elimineren, dat is in strijd met de Tao. Het leven brengt pijn omdat je anders niet kunt groeien, geen nieuwe wensen kunt formuleren en niet vooruitgaat. De enige beweging is de voorwaartse beweging, wie achteruitloopt wordt waanzinnig.
De Grijze Meester spreekt hierover met Fay-Hawoshikomatoya. Die studeert geneeskunde en gelooft in kruiden en pillen. De Grijze Meester zegt: "De kruiden en pillen zitten in je hoofd. Als jij gelooft dat een kruid heilzaam is, dan zal het je helen. Als jij gelooft dat je beter wordt van een pil, dan zal die je helen."
Fay-Hawoshikomatoya is woedend: "Jij* ontkent het belang van de wetenschap! Jij dilettant!"
"Niets wordt door mij ontkend; ik zeg alleen hoe het is. Maar vergeet de Tao niet! Zelfs als je gelooft dat een pil je kan genezen, dan geneest hij je niet altijd, of slechts ten dele. Je geneest als je de Tao volgt."
"Wat is de Tao**?" vraagt Fay-Hawoshikomatoya.
De Meester zwijgt.
Fay-Hawoshikomatoya wordt ongeduldig en roept: "Wat is nu de Tao?"
"Ik heb het je zojuist gezegd."
Dan staat De Meester op en geeft zegsels van zich af***: "Wie zwijgt, is dicht bij de Tao, wie ongeduldig wordt, is er ver van verwijderd."
* Dat zij ‘jij’ zegt en niet ‘u’ dient hier opgevat te worden als een grove belediging.
** Tao wordt normaliter vertaalt met ‘Weg’ en gezien als het Alomvattende, als eeuwige niet-fysieke Energie, als Het Zuivere en Abstracte, maar Levensbrengende Niets.
*** Spreekt Heilige Woorden.

FREDERICKS TAO© VAN DE WERELD

De Sidderende Vrouw kijkt in de afgrond en huivert. 'Stel je toch voor dat ik DAAR in zou vallen. DAT zou pas erg zijn. Een NACHTMERRIE!'
Huppelende Kleinkop komt voorbij en hij ziet de vrouw staan.
"Wat doe je?", vraagt hij, terwijl hij om haar heen huppelt.
"Ik bedenk juist hoe ERG het zou zijn om in het ravijn te storten. Dat is iets waar ik HEEL bang voor ben."
"O," zegt Huppelende Kleinkop, en dan vraagt hij: "Altijd al of sinds kort?"
"Altijd al; daar ben ik mijn hele leven al HEEL bang voor geweest."
"Zal ik je dan maar een duwtje geven?", vraagt Huppelende Kleinkop.
"Ben je GEK geworden?", roept De Sidderende Vrouw uit, "Dat je dat maar uit je hoofd laat!"
Huppelende Kleinkop haalt zijn schouders op en zegt: "Het is beter te pletter te vallen op de rotsen dan een leven lang te leven in angst."

FREDERICKS TAO© VAN DE WERELD

Fredericks tao© van de blauwe hemel

Door de aderen van Prinsessenkind vloeit geen koninklijk bloed.
Toch noemt iedereen haar Prinsessenkind, omdat haar gezicht straalt als dat van een engel, haar lichaam schoon* is als dat van een vorstenkind en haar glimlach iedereen verzaligd doet ontspannen.
Maar ze is ongelukkig, Prinsessenkind. Ze wil dansen en haar vader verbiedt het haar. Ze gaat op bezoek bij Meester 灰色衣物** en vertelt hem erover.
"Mijn moeder is nog erger!", zegt ze droef, "Die zegt: 'Natuurlijk mag jij gaan dansen', en vervolgens trekt ze zich terug in haar kamer om te gaan huilen, want zij meent dat dat vervloekte dansen mij in het verderf zal storten. Wat moet ik nu doen? Ik ben twaalf en nog een kind! Moet ik tegen mijn ouders ingaan, en weglopen van huis? Of moet ik het maar accepteren en me erbij neerleggen dat ik de droom van mijn leven nooit zal kunnen realiseren?"
Meester Grijs zwijgt een wijle.
Dan zegt hij: "Aangezien jij geen probleem hebt, ontbied ik je ouders bij mij op bezoek te komen. Ga ze halen!"
Prinsessenkind loopt weg, haar hoofd is gebogen, want ze heeft geen idee hoe ze dit bevel van Meester Grijs uit kan voeren. Nooit zullen haar ouders bij hem op bezoek willen gaan: ze vinden hem immers een hondsvot en een gek! Een arme sloeber, die de hele dag zit te niksen en dat mediteren noemt! Waren ze altijd al tégen Meester Grijs, als ze horen dat hij zonder omwegen bevolen heeft dat ze hem moeten gaan zien, dan zullen ze nog erger worden en ongetwijfeld in een sardonisch hoongelach uitbarsten!
Drie geboortes later*** ziet Meester Grijs volk verschijnen: hijgend en steunend, puffend en vloekend –meegesleurd door zijn dochter- verschijnt de vader van Prinsessenkind voor het aangezicht van Meester Grijs.
"U bent Meester Idioot?", zegt de vader boos, omdat hij zich heeft laten overhalen door zijn dochter om bij die gek op bezoek te gaan. Hij wilde niet, maar hij kon geen andere manier bedenken om van het dagelijkse gezeur van zijn kind af te zijn. Zijn vrouw liet hij thuis.
"Jij bent veel te slap," zei hij tegen haar, "Straks ga je nog lief doen tegen die rare kluizenaar! Dat kunnen we niet hebben! Ik zal er persoonlijk heen gaan en hem eens even flink de waarheid vertellen!"
De vader maakt geen buiging en hij gaat ook niet op de grond zitten****.
Hij begint gelijk te schelden. Omdat Meester Grijs wel op de grond zit, voelt de vader zich groot en machtig.
'Ha!', denkt hij tevreden terwijl hij met zijn tirade bezig is, 'Zo’n miezerig klein mannetje dat maar denkt dat ie de wereld in pacht heeft en alles weet! Mooi dat ik die eens even stevig de les kan lezen!'
Zo raast en tiert hij nog een tijdje voort, veel vloeken en scheldwoorden gebruikend. Meester Grijs hoort hem lankmoedig aan.
Eindelijk is de vader uitgeraasd en -moe geworden van zijn scheldkanonnade- gaat hij op de grond zitten.
"Soms komt eerbied later," ontspruiten woorden aan De Heilige Mond van De Oneindig Wijze Meester, hiermee doelend op het feit dat de vader toch op de grond is gaan zitten.
"Ik groet u," zegt Meester Grijs ootmoedig en hij maakt een diepe buiging voor de vader, waarna hij diens voeten kust*****.
De vader is zo verbouwereerd dat hij helemaal niet weet wat te zeggen. Dan mompelt hij verbluft: "Ik groet u ook, Meester!"******
"Het is niet slecht om bang te zijn," vaart Meester Grijs voort, "En dat is het enige probleem dat u heeft."
De vader kijkt ietwat verdwaasd in de eeuwig zachte en liefdevolle ogen van De Grijze Meester. Hij zegt suffig: "Ik ben toch niet bang?"
"U bent bang om uw dochter te verliezen. Dat is alles wat er aan de hand is. U bent bang dat ze een slecht leven gaat leiden door te dansen. Dat verderf en kwaad op haar pad zullen komen. U bent bang dat u als opvoeder niet goed genoeg bent geweest, en dat uw dochter het niet zal redden in de wereld."
De vader is ontzet, omdat hij inziet dat ieder woord dat De Meester uitspreekt de zuivere waarheid is. Hij buigt zijn hoofd uit schaamte; hij durft De Meester niet meer aan te zien.
Meester Grijs treedt op hem toe en legt de vier vingeren******* van zijn rechterhand onder de kin van de man. Zo heft hij zijn hoofd op, waardoor de vader niet anders kan dan recht in de grijze ogen van De Meester kijken.
Die ziet dat de man tranen in zijn ogen heeft.
"Dit is een mooie stap," glimlacht Meester Grijs, "U heeft uw haat afgelegd, en nu voelt u uw verdriet."
Na een stilte van vijftien minuten waagt de vader het voorzichtig te spreken: "Wat u zegt is waar, Heilige Meester. Het spijt mij verschrikkelijk dat ik mij daarnet zo slecht gedragen heb."
"Er bestaan geen slechte gedragingen omdat er geen goede gedragingen bestaan," zegt Meester Grijs, "Mensen zijn bezig op aarde, ze voelen, worstelen en denken na. Zo doen ze dingen, die goed noch slecht zijn. Er is alleen bezigheid. Activiteit. Wat slecht is in de ogen van de een, is goed in de ogen van de ander. Wat slecht is in de ogen van de ander, is goed in de ogen van de een. Dus is de enige waarheid dat mensen trachten."
Hij zwijgt een wijle en dan spuugt hij meer zegsels******** uit: "Of u een goede opvoeder bent geweest of niet, is irrelevant. Of uw dochter zich in het verderf gaat storten of niet, doet geenszins ter zake. En of u uw dochter verliest of niet, dat ligt helemaal niet in uw hand. Een vader zal zijn dochter altijd verliezen, dit is bepaald door de Tao; u heeft hier geen enkele zeggenschap in. Daarmee begint uw verantwoordelijkheid voor uw dochter ook te verdwijnen, wees er blij mee, want dit geeft rust. Uw taak eindigt, de taak van uw dochter begint.
Wat zij met haar leven doet, en wat zij wel of niet uit haar leven weet te halen, is haar zaak. Als uw opvoeding slecht was, is het haar taak van de rups een vlinder te maken; als uw opvoeding goed was, is het haar taak contrast te zoeken in haar volwassen leven. Laat haar gaan, zoals u een op de hand zittende vogel vrij zou laten vliegen. Het is haar tijd nu. Heeft u nooit een fout gemaakt in uw leven?"
"Wel… ach… ja… natuurlijk!", stottert de vader.
"Dat is goed," zegt De Grijze Meester, "Staat u dan nu uw dochter haar recht op haar eigen fouten toe."
Opnieuw buigt De Heilige Meester voor de vader; de dochter –die er naast staat- wordt door Meester Grijs niet aangezien, want in haar heeft hij alrede alle vertrouwen.
De Meester gaat de berg op.*********
Mooi.
** 灰色衣物 is het Chinese woord voor grijs.
*** Een geboorte is hier een tijdsaanduiding. 3 geboortes later is 27 maanden (ruim 2 jaar) later.
**** Beide zijn uitingen van disrespect.
***** Beide zijn tekenen van diep respect.
****** Ook deze vorm van eerbied/respect komt dus later, zoals De Grijze Meester al zei.
******* D.w.z. wijs-, middel-, ringvinger en pink.
******** Woorden.
********* Het hele gesprek door is Meester Grijs ‘u’ tegen de vader blijven zeggen. Dit is hoogst ongebruikelijk en bedoelt als les in eerbied voor de vader: “Ik respecteer u, zelfs als u mij niet respecteert.”

FREDERICKS TAO© VAN DE BLAUWE HEMEL

Oude Blekerd was kaal en hij keek scheel.
Op een dag ging hij voor de spiegel staan en hij keek naar zichzelf.
"Oude Blekerd!", zo sprak hij tot zichzelf , "Jij bent kaal en scheel!"
Hierop barstte hij in een ONBEDAARLIJKE schaterlach uit.

FREDERICKS TAO© VAN DE BLAUWE HEMEL

Gebroken Bloem komt aan bij De Grijze Meester. Zij heeft er lang over gedaan. Niet over de reis, die was kort: zij woont vlak bij de kluizenaarshut van Meester Grijs. Maar zij doorging een lang proces van emotionele, innerlijke gevechten voordat zij in staat was Meester Grijs te bezoeken.
Meester Grijs weet dit. Zonder dat Gebroken Bloem weet dat hij het weet. De Grijze Meester voelt het aan haar gemoedstoestand en emotionele aura. Daarom weet hij hoe zij zich voelt.
Gebroken Bloem knielt voor De Meester en gaat voor hem op de grond zitten. Haar gezicht is bleek, haar oogpupillen bewegen lichtjes heen en weer: zij trillen van angst.
Meester Grijs zwijgt, hij laat haar. Zo kan zij wennen aan De Zachte Heerlijkheid van De Meester, zo is zij in staat ZIJN trilling over te nemen en zo wordt zij rustig. Dit duurt een uur.
"Je bent nu in staat," zegt Meester Grijs, "Kom! Vertel het me!"
Gebroken Bloem zucht diep, deels nog van pijn en angst, maar deels ook van opluchting: zij voelt zich gezien, zij weet dat zij in goede handen is. Er zal haar hier geen kwaad geschieden. Haar angst was ook niet voor nu noch voor De Meester, haar angst gold voorbije dingen.
Ze zegt: "Als meisje werd ik verkracht door mijn vader. Hoe kan ik nu leven?"
"Je doet het," zegt Meester Grijs, "Je leeft."
Gebroken Bloem moet haars ondanks lachen.
"Het gaat moeilijk," zegt ze dan, "Mijn leven is vol pijn en mislukkingen. Lang heeft het geduurd voor ik deze waarheid kon achterhalen. Nu weet ik het en heb ik het gezegd. Tegen een vreemde."
Ze glimlacht verontschuldigend naar De Meester omdat ze hem een vreemde heeft genoemd.
"Het is niet erg dat je mij een vreemde noemt," zegt De Grijze Meester vriendelijk, "het is namelijk helemaal niet van belang dat je het tegen mij hebt gezegd: je hebt het tegen jezelf gezegd. Je hebt zojuist voor de spiegel gestaan en gezegd: ‘Het was voor mij onmogelijk om te leven, en toch doe ik het’. Vind je het gek dat het je moeite kost om te leven?"
Gebroken Bloem schudt haar hoofd, ze probeert niet te huilen.
"Vind je het bewonderenswaardig van jezelf dat je er nog bent, dat je leeft?"
Gebroken Bloem knikt schuchter van ja.
"Ben je het met me eens dat ieder leven uniek is, en dat iedereen een eigen opgave heeft op aarde?"
Gebroken Bloem knikt.
"Kun je voelen dat jouw opgave een grote en zware is, maar dat je die kennelijk aankunt, en vanuit de Blauwe Hemel gekozen hebt?"
Even voelt Gebroken Bloem woede in zich opkomen, ze wil protesteren, ze wil anderen de schuld geven: haar vader, desnoods Meester Grijs.
Dan zakt ze ineen en berust.
"Denk je dat het een uiting van macht of een uiting van onmacht was van jouw vader?"
Het meisje zwijgt, ze weet het.
"Goede bloemen groeien op goede aarde. Exceptionele bloemen groeien op de meest onmogelijke plekken. Ze worden prachtig of ze sterven jong. Jij wordt prachtig."
Gebroken Bloem heft voorzichtig het hoofd op en kijkt De Meester aan.
"Besef je dat het leven een verschrikkelijke straf kan zijn en dat jong sterven voor jouw vader milder zou zijn geweest dan te moeten blijven leven, in de wetenschap dat hij zijn eigen dochter verkracht heeft?"
Gebroken Bloem zwijgt, maar haar hart stemt in.
"Begrijp of accepteer je dat jouw vader niets van zijn verdriet of berouw aan jou laat zien en dit ook niet zal gaan doen?"
Gebroken Bloem knikt verdrietig.
"Ben je bereid te weten dat het leven cyclisch is en in wezen een kringloop van elkaar opvolgende levens? Ben je in staat de geruststelling te aanvaarden dat mensen die verschrikkelijke misdaden begaan hebben en hiervoor bij leven nooit gestraft werden, in een volgend leven alsnog boete zullen moeten doen voor hun wandaden? En dat deze boetedoening onnoemlijk veel zwaarder uitvalt omdat ze niet in staat zullen zijn te begrijpen waarom ze gestraft worden, geen weet hebbende van hun vorige leven?"
Gebroken Bloem haalt opgelucht adem.
De Grijze Meester staat op uit zijn meditatieve houding en legt zijn rechterhand op het hoofd van Gebroken Bloem. Een Zachte Gloed van Liefde straalt door het meisje heen.
"Ga nu!",  spreekt De Grijze Meester, "En neem je nieuwe naam mee!"
Vragend kijkt Gebroken Bloem op.
"Ontloken Bloem. Dat is jouw nieuwe naam. Maar voordat je die zult kunnen gebruiken, heet je Ontluikende Bloem."

FREDERICKS TAO© VAN DE BLAUWE HEMEL

Cheng-Gong* bezoekt Meester Grijs.

"Mijn vriend Kuan** is ondoorgrondelijk. Ik snap niets van hem! Hij heeft pijn, iedere dag. Sinds vijf jaren. Soms heeft hij het aan zijn nek, dan weer aan zijn rug, dikwijls ook heeft hij hoofdpijn. Toch is hij blijmoedig! Iedere dag vindt hij wel momenten waarop hij vrolijk kan zijn. Als hij pijn heeft –zo zegt hij zelf- dan accepteert hij dat en zoekt hij naar wegen om zijn pijn te vergruizen. Als hij daarmee klaar is, is hij vrolijk. Ik heb nooit pijn, lieve en goede Meester, toch ben ik ook nooit vrolijk. Hoe kan dit nu?"
Meester Grijs doet de jongeling zitten. Zwijgend serveert hij thee. Cheng-Gong drinkt zijn thee uit, De Meester heeft nog niets gezegd. Dan gaat Meester Grijs eten klaarmaken: voedzame rijst met vlees. Hoewel de jongeman erg ongeduldig is, laat hij De Meester maar begaan. Hij krijgt rijstwijn te drinken en ontspant zich een beetje. Uiteindelijk heeft de diepe, stille en vredige rust van De Heilige Meester hem innerlijk bereikt: Cheng-Gong is nu ontspannen en rustig.
"Zo, lieve jongen, nu kan ik eindelijk met je praten!"
"Dat kon u aldoor toch al; ik zat er al de hele tijd op te wachten."
"Nee, zoon, dat is onjuist. Je was innerlijk veel te druk en te onrustig; je moest eerst tot rust worden gebracht, anders zou je mijn woorden wel horen, maar de diepere betekenis ervan zou je volledig ontgaan. Wanneer iemand innerlijk onrustig is –of angstig- luistert hij wel, maar hoort hij niet. Ik zaai niet op steen, want het is zinloos. Nu heb ik vruchtbare grond voor mij, waar mijn zeggingen*** zullen kunnen ontkiemen."
Cheng-Gong zwijgt. Hij slaat eerbiedig de ogen neer.

"Altijd vragen mensen mij dingen die zo evident zijn! Altijd komen ze bij mij met hun grote grote problemen, en de oplossing is steeds zo simpel. Eenvoudig als een kinderziel en even helder en transparant. Toch komen de mensen niet op de antwoorden. Niet omdat ze dom zijn –meestal niet- maar omdat ze te bang zijn om stil te worden en naar de antwoorden te luisteren. Liever blijven ze bezig, en zo worden ze zoals jij; ze hebben geen pijn, maar ze voelen ook geen vreugde. Vele dagen verstrijken en je hoort ze niet lachen. Dat is triest en een mens onwaardig.
Kuan heeft wel pijn, hij accepteert zijn pijn en weet hem te vergruizen; erna kan hij lachen. Tot er nieuw werk voor hem klaarligt, dat hij wederom gehoorzaam zal doen. Kuan is rustig, open en eerlijk, daarom voelt hij zijn emotionele pijn. Jij bent zoals zovelen, je hèbt wel pijn, maar je accepteert hem niet. Je stalt hem niet-fysiek en dan zeg je met je domme kop “Ik heb geen pijn”. Ja, je hebt wel pijn, want een mensenleven zonder pijn is helemaal niet mogelijk en ook nooit de bedoeling geweest. Je hebt je pijn alleen ergens op een niet-fysieke opbergplaats opgeslagen; je negeert je pijn en je doet het allerergste wat een mens kan doen: je loochent je pijn.
Dan luister je naar mijn lessen en je hoort dat je vrolijk moet zijn, blij als een kind, en vreugdevol van hart. Je probeert dat te verwezenlijken, maar het lukt niet want je niet-fysieke pijn zit in de weg. Zo komt het dat “je maar door je tranen heen gaat lachen”. Dat is niet wat Kuan doet. Kuan huilt en is triest, hij heeft pijn en is kwaad. Daarna vergruist hij zijn pijn en is hij oprecht vrolijk, blij als een kind. Want op dit moment heeft hij geen huiswerk van de Tao, dus is hij vrij en hij zwerft vrolijk en licht huppelend rond, blij dat hij mag spelen. Als de Tao een nieuwe ontwikkeling van hem eist, dan heeft hij weer pijn, maar hij is gehoorzaam en vecht er niet tegen. Pijn is er niet om te bestrijden, want pijn is de enige manier om groei mogelijk te maken in een mensenleven. Er is geen andere manier. Zo luidt de Tao, en de Tao is onveranderlijk, eeuwig, heilig en ultiem.
Derhalve is jouw eerste taak “op zoek gaan naar je pijn”. Vertel maar over je leven. Heb je vrouw en kinderen?"
"Ja," zegt Cheng-Gong ijverig, "Ik heb een lieve vrouw en twee kinderen. Alleen zie ik ze niet vaak, want ik werk altijd."
"Als je je kinderen ziet, hoe is dat contact dan?"
"Goed natuurlijk! Net zoals met mijn vrouw. We gaan fijn met elkaar om."
"Vertel maar. Wat spelen jullie samen, jij en je kinderen?"
Cheng-Gong begint wat aarzelend te kijken: "Wel, zo heel veel spelen we niet samen natuurlijk, want erg veel tijd heb ik niet."
"Je bedoelt: erg veel contact heb ik niet."
Cheng-Gong raakt verlegen en begint te stotteren: "Meestal zit ik in een kamer apart, mijn vrouw is met de kinderen. Als ik met de kinderen speel, zijn ze afstandelijk en niet lief tegen me. Wanneer ik boos word, gaan ze huilen. Het lukt me nooit om er iets leuks van te maken."
"Kijk aan, mijn mensenkind, we zijn er al! Jij bent degene die een uur geleden tegen mij zei, dat hij geen pijn heeft. Welaan, hier is je pijn. Maar vóel hem dan ook, werk ermee, tot je de oplossing gevonden hebt."
"Hoe vind ik die?"
"Door contact te zoeken met jezelf. Door geduldig te zijn, jezelf de tijd te geven en niet te hoge verwachtingen te hebben van jezelf noch van anderen. Door blij te zijn met goede resultaten en slechte lankmoedig te dragen. Je bent een goed mens, Cheng-Gong, ik geloof in je, en er is niets in jou aanwezig wat verderfelijk of slecht is."
Cheng-Gong knikt verheugd, en enthousiast wil hij de voeten van De Meester kussen.
Die laat dit toe, wetende dat het goed is, net zoals het goed zou zijn geweest wanneer Cheng-Gong dit niet had gedaan.
"Ga nu," zegt Meester Grijs, "En keer over een jaar terug naar mij om me van je bevindingen te vertellen!"
Cheng-Gong gaat heen met een overlopend gemoed, overstromend van ijver, enthousiasme, maar ook een diep soort rust en een warme dankbaarheid doorvlieden hem.
De Heilige Meester gaat terug naar zijn Kluizenaarshut. Hij drinkt zijn kom rijstwijn uit en is tevreden.
Chinese jongensnaam met de betekenis ‘succes’.
** Chinese jongensnaam, betekent: ‘vrij van zorgen’.
*** Heilige Woorden.

FREDERICKS TAO© VAN DE BLAUWE HEMEL

Roze Bloesem heeft gehoord over Meester Grijs. Zij is vier jaar en vraagt haar ouders of ze hem mag gaan bezoeken. Die lachen, maar omdat het kind serieus is en aanhoudt, geven ze toe. Zo komt het dat Roze Bloesem en haar moeder Witte Lelie De Heilige Meester bezoeken. Die zit op het strand en mediteert. Beiden maken een diepe buiging voor hem, dan vraagt de moeder: “Heeft u geen slaapplaats meer? Heeft u zelfs uw kluizenaarshut opgegeven?”
“De hemel is mijn dak, het zand is mijn vloer en de zachte lucht van de zilte zee mijn deken! Hoe zou ik nog een slaapplaats kunnen begeren?” Roze Bloesem vraagt aan haar moeder of ze met De Grijze Meester alleen mag zijn; die staat dat toe en gaat het strand af om in het theehuis wat te gebruiken.
Roze Bloesem zegt helemaal niets. Ze speelt een beetje met het zand, ze heeft een emmertje en een schepje meegekregen van haar moeder, maar die roert ze niet aan. Ze pakt zand op en laat het door haar handen glijden: fijne korrels glinsterzand ruisen zachtjes door haar handen. Meester Grijs zit op het strand en kijkt toe, hoe de kleine bezig is.
Een enkele maal kijkt Roze Bloesem De Meester aan, maar niet vaak; ze schijnt aan een enkele blik van verstandhouding genoeg te hebben.
Nu gaat het kind zelf ook zitten, en het begint te graven. Héél diep graaft Roze Bloesem, zo diep dat ze op een goed moment water bereikt. Van het modderige zandwater begint ze een druipsteengrot te maken door het modderwater in haar knuist te nemen en door de palm van haar hand heen aan de pinkzijde naar beneden te laten druppelen. Ze is een uur bezig en ze heeft een schitterend complex aan druipsteengrotten neergezet.
Als ze klaar is, kijkt ze in de grijze ogen van De Meester; die ogen zijn mild en zacht; het kind voelt herkenning, maar ook haar kleinheid. Want haar ogen zijn mild en zacht door het ‘niet-kennen’ van leed. De grijze ogen van De Meester zijn mild en zacht door het ‘leed-gekend-hebben’.
Ze begrijpt dat ze moet groeien, dat veel haar overkomen zal, en ze bidt in stilte dat ze haar zachte mildheid mag behouden, of verliezen om haar hernieuwd te vinden.
Dan gaat het kind naar zee; ze zwemt een tijdje en spettert met haar handen door het water dat het een lieve lust is.
Ze keert terug naar de plek waar De Grijze Meester zit en droogt zich af met haar handdoekje. Woorden worden niet gewisseld.
Even later komt haar moeder aangelopen; een klein stipje in de verte dat almaar groter wordt.
Witte Lelie knikt De Heilige Meester vriendelijk toe, en ze vraagt aan haar dochter: “Zo, heb je al je vragen aan De Meester kunnen stellen?”
Roze Bloesem reageert verbaasd: “Ik hàd geen vragen aan Meester Grijs. Ik wilde alleen Zijn Aanwezigheid voelen.”
Nu is de moeder verbaasd.
Ze nemen afscheid met een buiging en vertrekken.
Meester Grijs neemt Witte Lelie een moment apart en zegt tot haar: “Je dochter zul je veranderd vinden; ze heeft veel geleerd bij mij. Ze bezat de Tao; nu weet ze dat de Tao bezitten hem niet bezitten is. Dus zal ze nadenkend zijn, en veel willen weten. Geef haar de tijd en alles komt goed.”
Witte Lelie bedankt De Heilige Meester en moeder en dochter vertrekken. Het is zoals De Grijze Meester heeft gezegd: Witte Lelie vindt haar dochter veranderd en meer verinnerlijkt. Toch is haar spelen in de komende dagen vreugdevoller dan voorheen. De ontwikkeling van de dochter slaat over op de moeder, die ook meer begint te voelen. Als haar man thuiskomt, vindt hij zijn vrouw veranderd en deze verandering brengt een verandering in hem teweeg.
De nieuwe houding van de man beïnvloedt op zijn werk zijn chef. Die wordt nadenkend en rustiger, kalmer en minder agressief. Zijn vrouw merkt dat thuis, ze kan hierdoor ontspannen, waardoor haar kinderen vrolijker worden. Op de school van de kinderen werkt hun vrolijkheid aanstekelijk: de andere kinderen worden er blij van. De leerkrachten zien dit waardoor ze meer genieten van hun werk.

Zo ligt al het levensgeluk van alle mensen besloten in de stilte der kleine dingen.

FREDERICKS TAO© VAN DE BLAUWE HEMEL