Het Meisje met de Zwavelstokjes


Auteur: Hans Christian Andersen
Naverteld, bewerkt en gemoderniseerd door: Frederick Haverkate

Classificatie: Vanaf 6 jaar
Genre: Sprookje
Emotionele Classificatie: hartverscheurend
Copyright: deze hervertelling/bewerking/modernisering geniet auteursrechtelijke bescherming. Het copyright berust bij F. Haverkate/Nieuwe Sprookjes

Categorie:

Beschrijving

Hoofdstuk 1 De boze vader!

Woedend schreeuwde de vader tegen zijn dochtertje: “Wèg met jou! Rot op! Niks dan last heb ik van je! Je kost me m’n laatste cent en je levert me niets op! Ga maar bedelen voor de kost, hier wil ik je niet meer zien, jij stinkwicht!!!”
“Jij bent zèlf een stinkerd!”, huilde het meisje, “Jij stinkt naar DRANK!” En vernederd en ten diepste bedroefd wilde het kind wegrennen. Haar moeder kwam haar achternagelopen. “Hier,” zei ze, “Neem deze zwavelstokjes maar mee.” “Mag dat wel van papa?”, vroeg het kind terwijl ze haar tranen droogde. “Misschien kun je er een paar verkopen,” antwoordde haar moeder, “Als je met wat centen terugkomt, stemt dat je vader ook weer milder.”
Het meisje knikte, haar moeder wilde haar een kus geven, maar de vader kwam uit de krotwoning naar buiten gesneld. Hij gaf zijn vrouw een klap in het gezicht. “Stom wijf! Jij behandelt haar veel te goed met je domme kop! Wacht, ik zal haar nog eens even mores leren!” En hij wilde zijn dochter achterna rennen, maar gleed uit in de sneeuw. Zijn rode dronkenmanskop stootte hij hard tegen een steen. Maar hij zag wel nog dat zijn dochtertje er met de zwavelstokjes vandoor ging. “Hé, jij kreng!”, schold hij, “Kom terug, die lucifers heb ik zelf nodig. Hoe kan ik anders het vuur weer aanmaken als het uitgaat?”
Maar zijn dochter was al om de hoek verdwenen, en de vader betastte zijn bloedende hoofd en keerde morrend terug naar huis. Hij nam een borrel en viel in slaap. Aan zijn dochter Laerke dacht hij nooit meer terug.

Hoofdstuk 2 Grootmoedertje

Laerke liep alleen over straat. Hoewel zij prachtig zingen kon, durfde zij haar stem niet te laten horen. Het was Oudejaarsavond, overal lag sneeuw. Mensen in dikke wintermantels liepen haar voorbij, schijnbaar zonder haar op te merken. Laerke begon zachtjes te huilen, haar kleine lijfje begon te rillen van de kou. Hoewel ze wist dat ze niet op de grond moest gaan zitten wanneer het zo hard vroor, deed ze het toch. In een donker hoekje naast een groot herenhuis zat onze Laerke nu. Ze moest aan haar oma denken, die was niet alleen lief voor haar geweest, ze had haar ook beschermd tegen de woedeuitbarstingen van haar vader. Tussen de beiden in had de grootmoeder zich opgesteld. “Jij houdt maar eens je fatsoen!”, had ze tegen de papa van Laerke geroepen, “Ik heb je niet opgevoed om je kind te slaan! En ook niet om je avond aan avond te bezatten!” En dan was vader Knudsen gedwee en mak als een lammetje in zijn stoel gaan zitten, brommend: “Ik hou al op, hoor! Ik kan ook nooit iets goed doen.” En de rust en vrede waren weergekeerd in de woning. Maar toen haar grootmama overleden was, was alles veel erger geworden. Haar moeder was niet zo sterk en krachtdadig als haar oma, en met haar vader was het van kwaad tot erger gegaan. Werkte hij vroeger nog af en toe, nu zat hij alleen maar in zijn stoel, klagend dat er geen geld was. Wanneer hij opstond, was het om naar de kroeg te gaan, maar op de pof kreeg hij daar ook niks meer, zodat hij uit stelen ging. “Leefde grootmoedertje nog maar,” dacht Laerke, “Dan zou alles weer goedkomen.”

Hoofdstuk 3 Het visioen van de kachel

Terwijl ze daar op de grond zat, koelde ze meer en meer af. Ze aarzelde geen moment, maar streek een van de zwavelstokjes af tegen de muur van het herenhuis. Het vlammetje van het stokje werd een bronzen poort waar Laerke doorheen kon lopen. Ze kwam in een lief klein kamertje, met een grote kachel die lekker warm brandde. Ze ging op een grote stoel voor de kachel zitten en een Toverfee bracht haar roze pantoffeltjes. Zo zat ze daar mijmerend voor de kachel, haar gezichtje werd helemaal rozig van de gloed, haar wangetjes gloeiden van de aangename warmte.
“Ach,” dacht ze, “Wat zit ik hier toch heerlijk! Ik zou hier wel altijd willen blijven zitten. Alleen… ik krijg zo’n honger! Zou er niet wat te eten zijn in dit lieve, kleine huisje?”
Maar voor ze op kon staan om op zoek te gaan naar de keuken, doofde het zwavelstokje en gaf een boze Kobold haar een trap, zodat ze door het bronzen poortje onzacht op straat belandde, en terechtkwam op precies dezelfde plek als waar ze daarstraks ook had gezeten.

Hoofdstuk 4 Het visioen van de gedekte tafel

Bibberend streek Laerke snel een tweede zwavelstokje tegen de muur van het herenhuis af. Misschien kwam ze dan weer terug in die gezellige, warme kamer! Het stokje vatte vlam en nu opende zich een koperen poort, waardoor het lieve meisje als het ware naar binnen gezogen werd. Maar ze kwam niet in het kleine kamertje met de kachel terecht, oh nee… ze belandde in een veel grotere kamer, met prachtige kroonluchters en een heel erg grote tafel, waar overal kandelabers met kaarsen op stonden. Op de tafel stonden dampende schalen met eten. Bloemig gekookte aardappeltjes met verse peterselie en een flinke dot roomboter erop. Vlees en gebraad dat heerlijk geurde en met knoflook en ui was toebereid. Broccoli en bloemkool, warme pruimen op sap en in de hoek zag ze nog een kleinere tafel. Snel liep ze erheen om te kijken wat daar wel niet op zou staan. En ze zag allemaal taarten met slagroom en ijs! Verlekkerd ging Laerke aan tafel zitten, er was maar één stoel en die was op precies de juiste hoogte voor haar. Net toen ze een opscheplepel had gepakt en zichzelf een lekker aardappeltje op wilde scheppen, doofde ook het tweede zwavelstokje en ditmaal kwam er niet een, maar kwamen er twee boze Kobolden die haar een stevige schop onder haar achterste verkochten, en haar zo terug dirigeerden naar de koperen poort. Het kind kwam weer op de koude, hardstenen grond naast het herenhuis terecht.
Snel wilde ze nog een zwavelstokje afstrijken, maar ze aarzelde: ze zag het boze gezicht van haar vader voor zich, en ze wist zeker dat hij rázend zou zijn als hij te weten kwam dat ze alle zwavelstokjes voor zichzelf had gebruikt, zonder zelfs maar te proberen er een te verkopen. Moeizaam stond ze op, een deftig heerschap kwam langs, ze vroeg hem: “Meneer, meneer! Wilt u niet wat zwavelstokjes kopen?” De man liep haar voorbij, hij had haar zwakke stemmetje niet gehoord, hij had niet eens opgemerkt dat daar naast hem een meisje stond. Hij had belangrijker zaken aan zijn hoofd, hij moest nog cognac en sigaren kopen en het liep al tegen achten!
Ook andere mensen negeerden het kleine meisje volledig, ze hadden geen zin in gezeur, ze moesten nog veel dingen doen om het Oudjaar waardig af te sluiten en het Nieuwjaar feestelijk in te luiden. En zwavelstokjes? Daar had iedereen toch al sinds het begin van de winter een voorraad van in huis! Wat een dom kind, geen wonder dat ze niks verkocht.
Trillend over haar gehele lieve lijfje en met een brok in de keel ging Laerke weer op de grond zitten. Het leek of het plaveisel nog kouder was dan eerst! Ze voelde zich intens droevig en ze wist maar één uitweg.
Had ze nog een zwavelstokje? Oh ja, ze had er nog genoeg. Met een zucht streek ze opnieuw een zwavelstokje tegen de muur van het herenhuis af. Een zilveren poort opende zich ditmaal voor het kind, een pràchtige poort met diamantjes omrand. Schroomvol trad Laerke binnen en ze keek waar ze terechtgekomen was.

Hoofdstuk 5 Het visioen van de kerstboom

Laerke bevond zich op een immens plein, zo’n groot plein had ze van haar leven nog niet gezien! Maar het plein vóelde helemaal niet groot, want overal stonden er gezellige kraampjes, verlicht door kaarsen en potten met vuur, waar mensen zich de handen boven warmden. “Kind, wat zie jij er verkleumd uit!”, zo zei een lieve vrouw die een van de stalletjes had tot haar, “Wil je niet een gebakken appeltje met kaneel? En hier… neem ook maar een mok warme chocolademelk, daar knap je vast van op!”
Laerke wist niet hoe ze het had! Hier stond ze buiten in de vrieskou, maar ze had het helemaal niet meer koud! Al die mensen die daar praatten en lachten, die zorgden voor warmte. En dan die aardige mevrouw die haar warm lekkers gaf om te eten en te drinken. Laerke bedankte de vrouw hartelijk en liep verder.
“Jij lust vast wel wat hartigs, niet?”, zei een stevige man van een jaar of veertig tot het meisje, “Je moet niet alleen maar zoetigheid eten, hoor!”, zei hij en hij stak vermanend een wijsvinger op, terwijl hij met een schuin oog naar zijn buurvrouw verderop keek, die hem lachend toezwaaide. “Maar ik heb geen centjes,” stamelde Laerke bedeesd. “Centjes?”, vroeg de man, “Och kind, wie maalt daar nou om. Het is toch Ouwejaar! Nee hoor, jij hoeft niets te betalen, helemaal los kom ik toch niet en anders zou ik het maar weg moeten gooien. Hier, neem jij maar een lekkere warme braadworst met mosterd en ketchup!”
Laerke kreeg rode koontjes en ook om haar hartje werd ze warm.
Nadat ze de man bedankt had en nog nasmullend van de lekkere warme braadworst, naderde ze het midden van het plein. Daar stond een enorme kerstboom, zo hoog en groot als ze nog nooit had gezien. Tienduizenden lampjes in alle kleuren verlichtten de boom. Eronder stond een koor met mannen, vrouwen en kinderen en ze zongen: ‘O Dennenboom, O Dennenboom. Wat zijn uw takken wonderschoon.’

Laerke –die als een leeuwerik zo mooi kon zingen- werd door de dirigent uitgenodigd om deel te nemen aan het koor. Nu stond ze daar te midden van al die vriendelijke en vrolijke mensen, die zongen over de mooie dennenboom en juist toen ze haar mond opendeed om mee te gaan zingen, hoorde ze een knal en werd alles zwart.
Ineens was ze weer alleen, en ditmaal verschenen er DRIE boosaardige Kobolden die haar alle drie een stevige schop onder haar achterste gaven!

Laerke vloog door de inktzwarte nachtlucht terug en kwam met een plof op het ijskoude plaveisel naast het herenhuis terecht. Ze gleed nog een stukje door, want de grond was nu niet alleen maar koud, er had zich ook een laagje ijzel op gevormd.
Huilend besefte het arme meisje dat het alwéér een droom was geweest, een visioen, en dat zij nu weer in de harde werkelijkheid teruggekeerd was.
Zij voelde zich kouder dan ze ooit was geweest en dacht dat ze weldra sterven zou. Heren in dikke duffels liepen langs haar heen zonder haar zelfs maar op te merken, elegant geklede dames met dure bontjassen en wintermantels aan, gunden haar geen blik waardig.

En Laerke had maar één wens: te sterven en haar grootmoedertje weer te zien.

Hoofdstuk 6 Het visioen van de grootmoeder

Zij aarzelde niet maar streek snel weer een zwavelstokje af. Oh ja, duidelijk zag zij het milde, vriendelijke gezicht van haar omaatje voor zich, het was bijna of oma er echt was. Het zwavelstokje ging uit en het meisje werd radeloos van verdriet, want nu verdween het beeld van haar oma weer.

Nu pakte zij alle zwavelstokjes die haar restte beet en ze streek ze allemaal tegelijk tegen de koude stenen muur van het herenhuis af. Er volgde een licht-explosie en het was of haar grootmoeder tegenover haar stond. Laerke stond op van de koude grond en strekte haar armen uit, zij zag haar grootmoeder zo mooi en vriendelijk als zij haar nog nooit had gezien. Haar oma stráálde door het heldere licht, zij leek net een engel, zo mooi en lief zag zij eruit.
“Kom maar, kind,” zei haar grootmoeder en ze opende uitnodigend haar armen om Laerke te omhelzen en op te nemen. Vreugdevol liep het kind naar haar grootmoeder toe, de armen opengestrekt en zich verheugend op de omhelzing.
Toen doofde het licht, alles werd roetzwart, grootmoedertje verdween in het niets en Laerke viel van schrik op de grond. Een heel leger van Kobolden kwam nu op het arme kind af, ze sloegen op haar in en lieten haar voor dood achter.

Hoofdstuk 7 De hemel

De volgende morgen zag een dame een doodgevroren meisje in de hoek van de straat zitten. Ze knielde bij het kind neer, en de tranen sprongen de dame in de ogen. Een man kwam bij haar staan en ook hij knielde bij het dode meisje neder. Hij voelde haar pols en keek in haar ogen. “Dit kind is gisteravond al gestorven! Heeft niemand dit gezien? Hoeveel mensen zijn hier wel niet voorbijgelopen op Oudejaarsavond?” En de man was erg verontwaardigd en ook hij kon zijn tranen niet bedwingen.
Meer mensen kwamen om het doodgevroren kind staan, ook een dame die de avond tevoren voorbijgelopen was. “Ik geloof dat ik haar wel heb gezien gisteravond. Ze had het zo koud en ze zat er zo verkleumd bij. Ze wilde vast zwavelstokjes verkopen,” zei de dame beschroomd en schuldig, en ze begon te schreien. Toen deed ze haar dure bontmantel uit en bedekte het lichaam van Laerke ermee.
Een heer van stand trad naar voren, en begon te trillen van schaamte en ontzetting toen hij zich herinnerde dit meisje ook gezien te hebben op Oudejaarsavond. “Ik zag haar vanuit mijn ooghoeken, maar ik had het druk, ik moest nog allemaal dingen kopen,” stamelde hij en hij knielde op de koude harde stenen grond neder voor het dode kind en bad tot haar ziel om vergeving.

Steeds meer mensen verzamelden zich rond Laerke, het leek wel of de hele stad het kind opeens zag.
En op dat moment hoorde men het gezang van een leeuwerik. Prachtig tjilpend zong de vogel zijn lied.
De zon brak door en aan die heldere blauwe hemel zag men een intense lichtflits, een straal als van bliksem of een vallende ster. En terwijl iedereen met ontzag naar de hemel keek, zei een klein kind: “Kijk! Het meisje wordt een Engel!”

Toen zagen alle mensen weer naar het lichaam van de dode Laerke. Het was of het meisje van binnenuit wit verlicht werd. Haar lichaam begon te stralen als de zon op een zomerdag en ze verrees, lichtovergoten en opziend naar de hemel. De mensen keken met haar mee en zagen een lichtgevende gedaante uit de hemel nederdalen.
“Oma!”, riep Laerke zielsgelukkig uit, “Eindelijk zijn wij samen!”
En de Engel uit de hemel die de grootmoeder was, pakte Laerkes handen vast en omhelsde haar innig en warm.
Toen stegen zij op, deze beide Engelen van God: het kind en de oma, blij en gelukkig dat zij elkaar wedergevonden hadden. Nu zijn zij in de hemel waar zij geen droefheid meer kennen, want zij worden eeuwig omstraald door de glimlach van God.

EINDE!

 

Uitleg moeilijke woorden:

Beschroomd betekent dat je je schaamt
Een duffel is een dikke winterjas
Een kandelaber is een kaarsenstandaard met verscheidene armen
Een kroonluchter is een grote, schitterende, aan het plafond hangende lamp met veel lichtjes
Laerke is een Deense meisjesnaam met de betekenis ‘leeuwerik’. De leeuwerik is een kleine zangvogel.
Mijmeren is een beetje dromerig peinzen, of onbestemd nadenken over iets: nadenken zonder dat het nuttig is
Morren is boos mompelen, brommen
Neder is een poëtisch synoniem van neer
‘Op de pof’ betekent ‘op krediet’
Plaveisel is de stenen bovenlaag van een weg of trottoir (stoep)
Schreien is huilen, wenen
Een visioen is een beeld dat je voor ogen hebt, en dat net echt lijkt maar niet werkelijk bestaat: een droombeeld
Weder is hetzelfde als weer
Zwavelstokjes zijn grote lucifers