Blauwbaard


Auteur: onbekend (volksvertelling)
Opgetekend door: Charles Perrault
Naverteld, bewerkt en gemoderniseerd door: Frederick Haverkate

Vanaf 14 jaar
Genre: Griezelsprookje
Emotionele Classificatie: huiveringwekkend, spannend en romantisch
Copyright: deze hervertelling/bewerking/modernisering geniet auteursrechtelijke bescherming. Het copyright berust bij F. Haverkate/Nieuwe Sprookjes

Categorie:

Beschrijving

Hoofdstuk 1 Markies De Meauxh-Penthièvres

Lang, lang geleden was er eens een rijk’ man. Hij was bezitter van een groot kasteel en hij had een mooie vrouw. Hij was de Markies De Meauxh-Penthièvres en hij genoot veel aanzien. Deze markies had één zoon: Ghûillaume-Sébâstienh, een speelse knaap met heldere kijkers. Ghûillaume was een vrolijk kind, hij deed graag spelletjes en maakte vaak gekheid. Zijn vader, de markies, was hierop tegen; hij vond dat zijn zoon niet serieus genoeg was en op deze wijze zou opgroeien voor galg en rad.
Daarom besloot hij tot harde maatregelen: hij sloot zijn zoon op in de kerker.
Het kasteel van de markies had een eigen gevangenis, gelegen in de kelder, dit was de kerker. De kerker was in onbruik geraakt want er werden in die tijd geen oorlogen gevoerd en geen gevangenen gemaakt. Ook had de markies geen ruzie met naburige landgoederen. Maar nu kwam die oude kerker hem mooi van pas!

“Zo, jij vrolijk zoontje! Ik zal je weleens een toontje lager leren zingen! Hoe wil jij ooit een serieus en belangrijk man worden als jij steeds maar grapjes maakt en deuntjes fluit? Dat leidt tot niets, dat kan ik je verzekeren!”
En hij nam de kleine Ghûillaume mee, de trap af, naar de kerker.
“Mam!”, riep Ghûillaume-Sébâstienh wanhopig, “Help me! Laat niet toe dat papa dit doet!”
Maar zijn moeder wendde haar gelaat af en ging naar de keuken.

Hoofdstuk 2 Opgesloten in de kerker

Ghûillaume-Sébâstienh hoorde een harde knal: de ijzeren deur van de kerker viel in het slot. Hij was nu alleen. Opgesloten. Het duurde lang die nacht voor de jongen de slaap kon vatten, want hij was bang dat hij zou sterven wanneer hij zou inslapen. Dus bleef hij liever wakker. Maar uiteindelijk greep de vermoeidheid hem en de jongen viel in slaap op de koude stenen vloer.
Midden in de nacht werd hij wakker. Door een minuscule opening aan de bovenzijde scheen de maan naar binnen. Het schijnsel van de maan gaf een griezelige glans aan de kerker, het was net of de muren blauwachtig oplichtten.
Een week lang zat Ghûillaume opgesloten in het kleine vertrek zonder stoel noch brits. Een dienaar bracht hem dagelijks water en brood en stond hem toe onder zijn begeleiding naar het schijthuis te gaan, alwaar hij zijn behoefte kon doen.
Na die week vond de markies het welletjes.

“Zo, kind! Heb je nu je lesje geleerd? Zul je voortaan serieuzer zijn en mij altoos braaf gehoorzamen?”
En in de verwachting dat zijn zoon nu mak als een lammetje zou zijn geworden, wachtte de vader op antwoord.
Dat antwoord kwam, maar het kwam in de vorm van een harde trap die Ghûillaume zijn vader tegen zijn scheenbeen gaf: “Jij bent een MONSTER, jij verdient het niet mijn vader te zijn!”
“Wàààààt! Jij brutaal joch!!! Hoe dùrf jij? Maar ik weet wel raad met kinderen zoals jij! Hup, dienaar, breng dit onwaardige kind terug naar de kerker! Weer een week lang, en geef hem alleen de eerste twee dagen water en brood. Zijn behoefte doet hij voortaan maar in de kerker zelf. Dan kan hij later in de week nog zijn eigen fecaliën eten!”
“Mam! Help mij dan toch! Sta niet toe dat papa mij weer opsluit!”, riep Ghûillaume-Sébâstienh wederom.
Maar zijn moeder wendde haar gelaat opnieuw af, zij verliet het vertrek en ging naar de keuken.

De kleine Sébâstienh werd zo kwaad, dat hij geen woord meer wilde zeggen. Gevoelsmatig haatte hij zijn moeder bijna nog meer dan zijn vader. Dat zij zo koud was en hem zo in de steek liet, dat benam hem de adem. Zijn vader vond hij een monster en een wild dier, maar ergens deed het kille wegtreden van zijn mama zijn jonge hartje nog meer pijn.

Hoofdstuk 3 Mak als een lammetje?

Het opvoeden van de jonge Ghûillaume-Sébâstienh was als het temmen van een wild paard. Natuurlijk kreeg de vader de jongen er uiteindelijk onder, geen kind kon zoveel wreedheid verdragen.
Toen de zoon beloofde alles te doen wat de vader hem zou opdragen, kreeg hij weer te eten en te drinken en hij mocht slapen in zijn eigen bed. Hij hoefde niet meer naar het schijthuis op het landgoed te gaan, maar hij mocht gewoon van het nette toilet in het kasteel gebruikmaken.
De jongen was vernederd, maar hij had de macht niet om nog langer ongehoorzaam te blijven tegen zijn vader. Had hij maar MACHT!
‘Wacht maar’, zo dacht hij voortdurend bij zichzelf, ‘Wacht maar tot ik later groot ben, dan zul je eens wat zien!’

Hoofdstuk 4 De blauwe baard

De moeder van Ghûillaume-Sébâstienh overleed op nog jonge leeftijd, zijn vader –de markies- ging niet lang daarna.
De inmiddels vierentwintig jaar oude Ghûillaume-Sébâstienh erfde het slot en de landgoederen. Hij was enig kind, dus alle schatkamers vol parels, juwelen, gouden munten en dukaten vielen hem ook ten deel.
Hij was nu een vermogend man en hij zou gelukkig moeten zijn, maar er was één probleem: hij was vervuld van haat.
Door alle vernederingen en martelingen die hij als kind had gekend, was zijn hart bitterzwart geworden en niet meer in staat om lief te hebben. Vrouwen verachtte hij, hij wilde ze het liefst ombrengen.

Wanneer hij ’s nachts de slaap niet kon vatten –en dat gebeurde hem dikwijls- dan spookten de beelden van die in het maanlicht blauwachtig opglanzende kerker hem voor ogen, en hij werd er droef van. Maar niet alleen droef, ook wraakzuchtig.
Op een dier slapeloze nachten stond hij op en begaf zich naar een van de schuren. Daar nam hij een pot blauwe verf en hij ging terug naar zijn slaapvertrek. Hij zette zich voor de spiegel en verfde zijn baard blauw. Hij bezag zichzelf in de spiegel en constateerde met voldoening dat hij er nu eng en afschrikwekkend uitzag. Zou een jonge vrouw hem nu nog willen huwen, dan zou dat enkel en alleen om zijn fortuin zijn. Zijn karakter was niet goedmoedig noch vriendelijk, de vrolijke speelsheid die hij gekend had als jong kind had plaatsgemaakt voor duistere haat en zijn uiterlijk was nu ook vreeswekkend.
Geen vrouw zou hem nog begeren anders dan om de dukaten die hij haar zou geven. Vrouwen van stand zouden onder dwang hunner moeders misschien toch hun beste beentje voorzetten en toenadering tot hem zoeken, maar dan wist hij al vooraf dat die dames alleen uit waren op zijn fortuin.
Ook lichtekooien zou hij nemen, daar voelde hij toch geen liefde bij en dan zouden die hem ongetwijfeld verachten en slechts met hem slapen om de dukaten die ze ervoor kregen.

Nog immer spookte het zich afwendende gelaat van zijn moeder door Blauwbaards hoofd. Een idee vormde zich in zijn hoofd en zette zich daarin vast: hij zou elke vrouw met wie hij het bed deelde, erna ombrengen. Dat zou hem verlichting van zijn hartenpijn geven, zo zou zijn leven duister en afschuwelijk maar voor hem toch draaglijk wezen.
En gaven de verachting die die vrouwen voor hem koesterden en hun geldzucht hem niet ook het recht ze van het leven te beroven?

Hoofdstuk 5 Raadselachtige verdwijningen

Het was enkele jaren later. Blauwbaard had vele maîtresses gehad, vrouwen van lichte zeden, vrouwen die op een huwelijk uit waren geweest, maar allemaal vrouwen die op wonderbaarlijke wijze verdwenen waren.
Bij de lichtekooien was er niet veel navraag gedaan, er waren nauwelijks mensen geweest die zich om hun vermissing hadden bekommerd. De dames van stand hadden familieleden gehad die zich afvroegen waar hun dochters gebleven waren.

Blauwbaard had de onschuld zelve gespeeld: “Maar ze is toch bij u? Ik verzeker u, ze is hier weggegaan na een laatste innige omhelzing. Mijn dienaar heeft haar nog tot de poort begeleid.”
Dan werd er door enkele wetsdienaars een halve dag door de bossen gespeurd, maar wanneer men niets vond, luidde het bericht aan de familie al snel: “Ga er maar vanuit dat ze dood is, in deze bossen overleeft een jongedame niet lang. De wilde dieren zijn hier te hongerig en te gretig, die hebben haar waarschijnlijk allang opgepeuzeld.”

Een andere maal speelde Blauwbaard het spelletje omgekeerd. Dan kwam hij woest en als in uiterste wanhoop te paard aanstuiven, zonder dienaren en zelfs zonder mantel en hij bonsde luide op de poorten van de ouders van het meisje.
“Is ze nog bij u? Uw dochter zou tegen hedenmiddag bij mij komen! Ik wacht al zes uren op haar, maar ze is niet verschenen! Zeg mij dat ze bij u is, anders besterf ik het van zielenpijn!!!”
De ouders begonnen te wenen, en moesten ontkennend antwoorden: “Nee, ze heeft ons slot daadwerkelijk verlaten, ze begaf zich op weg naar u. Wij lieten haar alleen gaan, dat wilde ze zo graag.”
En het drietal stond daar in de opening van de poort tot het slot luid te weeklagen, te jammeren en te schreien. Doch bij Blauwbaard was het geveinsd.

Hoofdstuk 6 De sleutel

In dezelfde kerker waar Blauwbaard als kind was opgesloten, had hij de lichamen van de vrouwen en maîtresses die hij genomen had verborgen.
Hij had ze allen vermoord.
Wanneer een corpus in verregaande staat van ontbinding verkeerde en vreselijk begon te stinken, dan haalde hij het eruit en begroef het in het woud.
Het was of hij al die malen zijn moeder vermoord had, die werkeloos toe had staan kijken hoe zijn vader hem opsloot in de kerker. Toch leek het beeld van zijn moeder niet te verdwijnen, voor zijn geestesoog werd het alleen maar sterker.

Bij tijd en wijle bezocht hij de kerker, hij zag de lijken van de vrouwen die hij genomen en vermoord had en hij gevoelde een zekere voldoening. Een vreemd en koud soort gevoel, anders dan haat, maar toch zwart, bitter en afschuwwekkend voor een buitenstaander.

De kerker sloot hij na zijn bezoeken steeds secuur af met een grote ijzeren sleutel. Die sleutel bewaarde hij aan een ketting om zijn hals. Hij deed de sleutel nimmer af, behalve wanneer hij de kerker opende. Hij sliep met de sleutel, hij at met de sleutel, hij bedreef de liefde met de sleutel en hij nam een bad met de sleutel.
De sleutel leek aaneengesmeed aan zijn lichaam.

Hoofdstuk 7 Judith

Toen hij op een dag door de tuinen van zijn slot wandelde, zag hij een jonge vrouw die aan een der poorten stond. Het was zeker een freule, want haar gestalte was rank en haar gezicht fijnbesneden. Hij liep op haar toe.
“Wat wenst gij, jongedame? Hoe bent ge hier verzeild geraakt zo geheel alleen en zonder de bescherming uwer ouders? Zelfs zonder chaperon of chaperonne, zoals ik moet constateren! Weet u dan niet dat het gevaarlijk is voor een jong meisje om alleen op pad te gaan?”
Het meisje knikte, verlegen. “Ik ben Judith,” zei ze toen. Ze zei er niet bij dat ze Blauwbaard een aantrekkelijke man vond, dat ze zijn gestalte stoer vond en zijn blauwe baard viriel en imposant.
“Hm, ik ben Ghûillaume-Sébâstienh, markies van Meauxh-Penthièvres. Men noemt mij Blauwbaard.”
Het meisje knikte.
“Mag ik uw slot zien?”, vroeg ze toen.
Blauwbaard weifelde, hij was enigszins verontrust, want dit meisje was anders dan alle vrouwen die hij tot nu toe gekend had; zij was lief, oprecht en zuiver. En dat bracht hem van zijn stuk.
Maar hij vermande zich, verdrong zijn lichte ontroering en noodde het jonge meisje binnen.

Die keek haar ogen uit.
“Wat een pracht en praal!”, riep ze verrukt uit, “En dat terwijl het kasteel er vanbuiten zo somber uitziet! U ontvangt zeker veel gasten hier?”
“Oh ja, geregeld,” antwoordde Blauwbaard naar waarheid, ofschoon die festijnen met andere edellieden hem eigenlijk tegenstonden.

Het duurde niet lang of de twee werden verliefd en Blauwbaard vroeg zijn meisje ten huwelijk. Aan haar ouders had hij al om haar hand gevraagd en die hadden geen bedenkingen gekoesterd.
Zo werd de twintigjarige Judith Markiezin van Het Slot De Meauxh-Penthièvres.

Hoofdstuk 8 Op ontdekking

Vanzelfsprekend had Judith gemerkt dat haar man een sleutel om zijn nek droeg en dat hij die nooit afdeed. Zij vroeg hem ernaar.
“Onbelangrijk, kind. Het heeft geen betekenis, het is slechts een oud gebruik van kasteelheren.”
Judith geloofde dit antwoord niet en zij begon haar man ook minder te vertrouwen. Soms ging hij er ’s nachts op uit, zonder begeleiding. Dan zag zij hem wegstuiven op zijn zwarte paard, dat schimmig-blauw òpglansde in het maanlicht.
Oh, zij hield van haar man, zij vond hem stoer en knap, maar hij hield iets verborgen voor haar, dat wist zij zeker!
Kon zij hem maar méér beminnen, méér liefhebben zodat hij zijn duisterste geheimen aan haar toe zou willen vertrouwen! Het zou hem beslist opluchten, daarvan was zij overtuigd! Maar hij was gesloten en donker, het was net of hij een zwarte plek in zijn hart had, die hij met niemand durfde te delen.

Wanneer zij vroeg naar zijn jeugd en hoe zijn ouders waren, dan ontweek hij die vragen of hij zei slechts ‘Alles was goed.’ Kon zij maar in hem doordringen, kon zij de burcht die hij was maar bestormen, kon zij toch de sleutel tot zijn hart maar vinden!

Op een nacht –toen Blauwbaard sliep-, sloop de mooie Judith uit bed en ging naar de sleutelkast. Hier bevonden zich àlle sleutels van het slot. Zij deed niets verkeerds, want Blauwbaard had haar toestemming gegeven alle sleutels uit te proberen om de vertrekken te zien tot dewelke zij toegang verschaften. Slechts de sleutel die hij om zijn nek droeg, mocht zij nimmer beroeren. Die andere sleutels had zij nooit uitgeprobeerd, maar nu wilde zij wéten! Zij wilde achter zijn geheim komen en omdat hij het haar toch nooit zou vertellen, dan zou zij het maar stiekem te weten komen, terwijl hij sliep!

Er was maar één manier om erachter te komen tot welk vertrek in het huis de sleutel om Blauwbaards nek toegang verschafte. En dat was alle andere sleutels uit te proberen. Dan zou er nog maar één kamer overblijven, en dat was dan de geheime kamer.

Zo deed Judith het ook. Met een kaarsje in de hand, in de wetenschap dat het voltallige personeel en ook de kasteelheer, haar man Blauwbaard, sliepen, nam zij de grote sleutelbos en ging van deur tot deur.
In het begin was het moeilijk want er waren vele sleutels, en zij moest geduldig blijven proberen voor zij de juiste had. Maar het lukte, zij vond de sleutel tot de provisiekamer, tot de biljartkamer, tot de bibliotheek, tot de heren- en rookkamer, de studeervertrekken en ook tot de kamers van het personeel.
Haar hart ging sneller bonzen, niemand van het personeel mocht natuurlijk ontwaken doordat zij te luidruchtig een roestige sleutel in het sleutelgat stak.
Zij deed het consciëntieus, langzaam en voorzichtig en iedereen bleef diep in slaap verzonken.

Uiteindelijk betrad zij de stenen trap naar de kelder, haar jeugdig’ hart begon fel te kloppen en het kostte haar veel moeite om haar hoofd koel te houden en haar hart tot bedaren te brengen.
In de kelder vond zij de ijskamer, nog enkele voorraadkamers en de sleutel die toegang verschafte tot de buitenpoort die naar de stallen leidde.
Één vertrek had zij nog niet gehad. Schijnbaar een klein vertrek, in een duistere hoek van de kelder gelegen. Voorzichtig sloop zij naderbij. Een vreemde, nare geur walmde op vanuit die kamer. Wat was daar? Zou er iemand opgesloten zitten?
Dapper nam de jonge vrouw haar complete sleutelbos in de hand, en zij probeerde alle sleutels een voor een uit. Geen paste.
Haar hart ging hevig tekeer. Dit was dus de geheime kamer, de kamer tot dewelke zijn geen toegang had. Van dit duistere vertrek in de kelder had alleen Blauwbaard de sleutel en die droeg hij om zijn nek.
Zij wist genoeg, ze nam haar kaars en besteeg de trap naar boven. Daar kroop zij in bed naast een snurkende Blauwbaard.

Hoofdstuk 9 Bezoek

Judith wist precies wat zij doen wilde. Maar èrgens –diep vanbinnen- voorzag zij problemen. En zij liet een ijlbode naar haar zuster Anna spoeden. Of zij komen zou, te gast, en wel hun vier broeders mee zou brengen.
Anna kwam, reeds de volgende dag, maar de broers van Anna en Judith waren die dag en avond druk bezet en zij vergezelden haar niet. Zij zouden pas de volgende morgen vroeg aankomen.
Markies Blauwbaard was ontstemd: hij had toch niet om bezoek gevraagd?
“Ach!”, zei Judith liefjes terwijl ze haar man om de hals vloog, “Het zal toch gezellig worden, met zijn drietjes? Anders zijn we hier zo op onszelf. Ons slot is prachtig, maar afgelegen. En de edellieden die zich jouw vrienden mogen noemen, inviteer jij ook nog maar zelden.”
“Hm,” bromde Blauwbaard, want liever was hij allenig met zijn vrouw gebleven, “Het zij dan maar zo! Maar maak er geen gewoonte van, hier familie van je uit te nodigen zonder vooraf mijn toestemming te hebben verkregen!”
Judith knikte, en ze verdween in haar boudoir om zich voor te bereiden op de komende nacht.

Hoofdstuk 10 Het plan van Judith

In stilte had Judith een plan gesmeed. Niemand wist ervan, haar man Blauwbaard zéker niet, maar ook hare zuster Anna had geen vermoeden.
Zij hield van Blauwbaard –meer dan hij wist-, maar zij kon niet leven met geheimen! Zij móest weten wat er in die duistere kamer was, die kamer vanwaar een vreemde, misselijkmakende geur naar buiten drong! Alleen Blauwbaard zelf had de sleutel tot dat mysterieuze vertrek, maar zij was zijn vrouw!, zij zou hem die sleutel wel weten te ontfutselen!
Ze kamde haar haren –langdurig-, ze maakte zich op, reinigde haar lichaam en verfriste het met verfijnde oliën en parfums. Zij zocht lange in haar kledingkast, en nam er de lingerie uit, die haar figuur het beste deed uitkomen. Hoerig wilde zij niet worden, wel verleidelijk en wellust oproepend. Zij moesten minnen, die nacht, want tijdens het liefdesspel zou zij de sleutel wel ongemerkt weten te bemachtigen.

Hoofdstuk 11 Liefdesspel

De avond viel; het drietal had copieus gedineerd en het was tijd om zich ter ruste te begeven. Blauwbaard kuste Anna, zijn gast, goedenacht, beleefd en ridderlijk, maar zonder sympathie. Zij zou in de Torenkamer slapen, ver weg van het slaapvertrek van Judith en hem.
Judith schrok toen zij dit hoorde; liever had zij gezien dat haar zuster in een nabijer gelegen vertrek de nacht doorbracht. Maar Blauwbaard bleek niet te vermurwen.
De dienaren doofden de kaarsen die op de eettafel stonden, één dienaar nam een kleine kandelaber en begeleidde Anna naar de Torenkamer.

Blauwbaard en Judith begaven zich naar hun slaapvertrek.
Zij waren nog niet binnen of Judith kuste haar man langdurig op de lippen: “Dank je wel dat je mijn zuster hebt ontvangen! Ik weet dat je het niet meer zo op bezoek hebt de laatste tijd, maar ik ben je dankbaar voor de vervulling van mijn wens.”
Blauwbaard keek verwonderd op; een dergelijke lieve vriendelijkheid had hij op dit moment niet van zijn eega verwacht.
“Laten wij maar slapen gaan,” sprak hij moede en hij ontdeed zich van zijn bovenkleding.
“Werkelijk? Wil je al slapen?”, vroeg Judith op zoetelijke toon; ook zij had zich van haar bovengewaad ontdaan.
Blauwbaard was perplex, hij staarde haar aan, zij was in lingerie.
“Zo mooi heb ik je nog nooit gezien,” stamelde hij verbouwereerd, en hij verweet zichzelf dat hij week om het hart werd en behoefte gevoelde om teder te zijn.
“Misschien kijk je niet altijd even goed!”, zei Judith plagerig en ze begon zich langzaam verder te ontkleden.
Blauwbaard keek haar aan, kwijl droop langs zijn baard. “Ik moet je nemen,” zuchtte hij toen.
Dat was precies wat Judith wilde!
Naakt nu, liet zij zich pakken door die krachtige stoere man van wie zij zoveel hield. Hij wierp haar op het ledikant, de lakens en dekens op de grond smijtend.
“Samen zijn wij warm genoeg,” zei hij en hij ging boven op haar liggen.
Ook Blauwbaard was volledig ontkleed nu, slechts de sleutel hing nog aan een ijzeren ketting om zijn nek.
Judith kronkelde en bewoog zó, dat de sleutel haar borsten raakte en haar vervolgens in het gezicht sloeg. Met een zucht schoof zij de sleutel op zo een manier weg, dat hij nu om de rug van Blauwbaard kwam te hangen.
Die begreep haar afkeer van een koude sleutel die het minnespel verstoorde en bekommerde zich er verder niet om.
Hij verenigde zich met haar, krachtig omdat hij dat wou, en teder omdat het hem overkwam. Toen hij zichzelve niet langer weerhouden kon en zijn vrucht der liefde van hem in haar ging, nam Judith de sleutel, en zij lei hem op het nachtkastje neder. Blauwbaard had niets gemerkt.

Hoofdstuk 12 Een moment van twijfel

Pas tegen het krieken van de dag durfde Judith uit bed te sluipen, de sleutel te nemen en de trap naar de kelder af te dalen. Blauwbaard snurkte luid verder.
Benedengekomen sloeg de angst haar om het hart. Een kaarsje in de trillende linkerhand geheven, de sleutel in haar rechter, kwam ze steeds dichter bij het geheime vertrek.
Zou ze het wel doen? Zou ze dit kamertje werkelijk wel willen openen? Of zou ze niet liever snel teruggaan, de sleutel zachtjes weer op het nachtkastje leggen en weer bij haar man in bed kruipen? Misschien zou het geheim te veel zijn voor haar, wellicht zou ze zo erg schrikken dat ze een flauwte kreeg, of nog erger: een attaque!
Toch werd ze onweerstaanbaar naar de bewuste deur toegetrokken. Ze hield niet van duistere geheimen; ook nare dingen moesten aan het licht worden gebracht.

Innerlijk had Judith een besluit genomen, en ofschoon bevend over haar gehele mooie, nog meisjesachtige lichaam, naderde zij de deur. Met onvaste hand stak zij de sleutel in het slot………

Hoofdstuk 13 “Zuster Anna, zuster Anna… ziet gij nog niets komen?”

“WAT MOET DAT DAAR!!!!!!!”, bulderde een mannenstem plotseling door de duistere keldergang.
Het was Markies Blauwbaard, die ontwaakt was en onraad had geroken.
“WEL VERDUIVELD! JIJ!!!! Had ik je niet verboden deze kamer te betreden? Waren mijn wil en wet niet duidelijk genoeg?”
En hard sloeg hij zijn jonge vrouw in het gezicht.
“Anna! Zuster Anna! Help mij, ik ben in nood!”, gilde Judith zo luid en doordringend als ze maar kon.
Haar van pijn en angst snerpende stem bereikten door de holle gangen en verlaten trappenhuizen het hoge Torenkamertje waar Anna sliep.
Anna begreep onmiddellijk dat er groot gevaar dreigde, en dat haar lieve zusje Judith misschien wel van het leven beroofd zou worden door haar wrede man. Zij keek uit het venster van het Torenkamertje en zag dat de zon alrede opkwam. Och, kwamen haar broers maar snel! Alleen haar vier dappere broers zouden Judith nu nog kunnen redden!
Beneden gevoelde Judith precies hetzelfde, maar Blauwbaard interesseerde dit alles geen zier.
Hij nam zijn zwaard en wilde toehouwen.
“Wacht!!”, kreet Judith in opperste doodsnood, “Geef mij tijd om mij voor te bereiden op mijn dood! Laat mij bidden, mijn liefste!”
En zij knielde op de koude keldervloer neer.
“Ik geef je een kwartier,” zei Blauwbaard en hij draaide zich om. De sleutel griste hij uit Judiths hand; het geheime vertrek was nog immer gesloten.

Vijf minuten lang bad Judith vurig en intens tot de lieve God, dat Hij haar broeders toch een ingeving zou geven, opdat zij in rengalop zouden gaan en weldra aan zouden komen.
Na vijf minuten schreeuwde zij wanhopig naar boven, naar de Torenkamer waar haar zuster verbleef: “Zuster Anna, zuster Anna… ziet gij nog niets komen?”
“Ik meen een stofwolk te zien,” riep Anna terug naar beneden.
Opgelucht haalde Judith adem.
“Ach nee,” klonk het toen van boven, “Het is slechts de ochtendnevel in de verte.”

Desperaat zonk Judith weerom neer op de kille keldervloer. Opnieuw bad zij vijf minuten het vurigste en wanhopigste gebed ooit gebeden: dat de goede God toch zou zorgen dat haar broers aan zouden komen!
Erna verhief zij zich van de grond en gilde in uiterste doodsnood naar boven: “Zuster Anna, zuster Anna… ziet gij nog niets komen?”
Anna hief haar rechterhand boven de ogen tegen de opkomende zon, zij kneep haar ogen samen en tuurde ingespannen in de verte.
“Ja!”, riep zij toen verheugd naar beneê, “Ik zie een stofwolk in de verte en ik zie beweging in die stofwolk!”
Trillend van vreugde wilde Judith opstaan en naar de buitenpoort rennen. Maar toen hoorde zij de stem van haar zuster uit den hoge: “Ach nee, ik zie nu dat ik me vergis! Het is een kudde schapen die zich daar in de verte roert!”
Schreiend stortte Judith zich nu languit op de keldervloer neer; zij weende bittere tranen en bad haar laatste vijf minuten niet vurig meer, maar zachtjes snikkend tot de barmhartige God.
Kalm en waardig –stervensbereid- verhief zij zich erna van de vloer. Haar stem galmde -helder en welluidend nu- door de gangen en trappenhuizen naar omhoog:
“Zuster Anna, zuster Anna… ziet gij nog niets komen?”

Anna keek, nu was zíj het die trilde en beefde over haar ganse lichaam. “Och God, heb medelijden! Laat mij niet nu al mijn lieve zusje verliezen,” fluisterde zij.
En Anna ging vlak voor het venster staan, zij hief haar bevende rechterhand op naar boven haar ogen en zij tuurde diep in de verte. Zij zag een stofwolk, maar zij zweeg. Eerst wilde zij goed kunnen zien wat er zich in die stofwolk bevond.
De stofwolk naderde in ijltempo, zij hoorde brullen en herkende de stemmen harer broers, zij zag het familiewapen aan de flanken der paarden en schreeuwde jubelend naar beneê:
“IK ZIE ZE, LIEVE JUDITH! HET ZIJN ONZE BROERS!!! ZIJ NADEREN REEDS DE POORT!!!!”

Wankelend stond Judith op om zich naar de buitenpoort te begeven.
Maar in de hal trof zij Blauwbaard, met geheven zwaard. Hij wilde toeslaan, doch precies op dàt moment, hoorde men een luid gekraak en tumult. De vier broers ramden met geweld de poort in en sloegen Blauwbaard bewusteloos.
Hun ontredderde zusje namen zij liefdevol in de armen.

– SELA – SELA – SELA – – SELA – SELA – SELA – – SELA – SELA – SELA – – SELA – SELA –

 

Hoofdstuk 14 Gerechtigheid

De vier broers zeulden het bewusteloze lichaam van Blauwbaard naar de kelder; zij meenden dat zich daar wel de kerker zou bevinden, alwaar zij hem in zijn eigen kasteel achter slot en grendel wilden opbergen. Intuïtief liepen zij naar de geheime kamer, hij was op slot. Zij weken terug, want een nare lucht kwam hun tegemoet.
Judith –bijgekomen van de schrik- snelde hare broeders achterna. “Is het geheime vertrek een kerker?”, zo vroeg zij. Hare broeders knikten, zij meenden van wel.
“Ik heb de sleutel ervan,” zei Judith.
“Geef hem maar aan mij,” zo sprak Pâhdric, de op een na oudste broer van Judith, want hij had allang geconstateerd dat een vreselijke lijklucht uit de kerker opsteeg. “Ga jij maar naar boven en zet thee voor ons allen,” zo maande hij zijn jonge zusje.
Het vermoeden van Pâhdric werd bewaarheid toen hij de sleutel in het slot stak en de deur tot het geheime vertrek opende.
Dertien vrouwenlijken telden de broers; zij waren opeengestapeld en verkeerden in verschillende staten van ontbinding. Pâhdric knikte naar zijn jongere broer Ráclàw en zij beiden namen het buiten bewustzijn verkerende lichaam van Blauwbaard op en smeten het op de hoop.
“Zo kun je voelen wat je anderen aandeed!”, zei Ráclàw en de oudste broer –Philiberth- knikte instemmend, want de broers twijfelden er geen moment aan dat Blauwbaard al deze vrouwen had omgebracht. Philiberth sloot de kerkerdeur af.

Gevieren begaven zij zich naar boven, alwaar zij een onthutste Judith aantroffen. Zij zeiden haar dat haar man het leven had gelaten en haar geen kwaad meer zou doen. De sleutel tot de kerker gaven zij aan haar terug.

Hoofdstuk 15 Liefdevolle verzorging

Een tweetal dagen later vertrokken de broers van Judith, zuster Anna had besloten nog een wijle te blijven, zodat zij Judith behulpzaam kon zijn met het regelen van allerlei zaken.
Judith was haar broers innig dankbaar, maar ze had geen moment geloofd dat Blauwbaard dood was. Terwijl Anna sliep, nam ze een homp brood en een kleine kan water, hing Blauwbaards sleutel om haar nek, en begaf zich naar de kelder.
Onverwijld ging ze naar de duistere hoek; de geur liet er ook voor haar nu geen misverstanden meer over bestaan: het was de lucht van lijken. Maar de lijken van wie?
Judith- dapper geworden door al het leed dat haar de laatste dagen overkomen was- zette brood en water op de grond, nam de sleutel en opende de deur tot het geheime vertrek. De deur opende moeizaam en eenmaal geopend viel het lichaam van Blauwbaard voor haar voeten op de grond neder.
Judith slaakte een gil, zij luisterde een moment lang, maar niemand had haar gil gehoord. Toen legde ze haar oor op de borstkas van haar man te luisteren en merkte dat die nog leefde. Ze depte zijn mond met water en deed een stukje brood in de kan, opdat hij wat vochtig brood eten zoude.
Vol afgrijzen staarde ze intussen in de kerker, ze zag er de lijken van vrouwen, ongetwijfeld de vroegere vrouwen en maîtresses van haar man.
Maar ze gaf niet op, ze wilde haar man niet opgeven, ook al had hij getracht haar te vermoorden en ook al had ze angst nu ze zag wat voor vreselijks hij allemaal nog meer had gedaan.
Een week lang verzorgde ze haar man, die langzaam weer bij zijn positieven kwam. Anna begreep niets van het gedrag van haar jonge zusje, en dreigde weer om hun broers te zenden. Maar Judith was onvermurwbaar: “Wij zijn getrouwd voor God en God zal mij bijstaan wanneer ik poog van mijn man te blijven houden!”

Anna verklaarde haar zusje voor gek en zei dat God niet van seriemoordenaars hield.
Maar Judith ging onverstoorbaar haar eigen gang.

Hoofdstuk 16 De schout

Na enige maanden was Markies Blauwbaard weer helemaal opgeknapt. Hij begreep dat zijn lieve vrouw Judith nu al zijn geheimen kende, maar hij was eerder kil dan vriendelijk tegen haar.
Het scheen Judith niet te deren, ze bleef haar man verzorgen als een toegewijde verpleegster en weldra was Blauwbaard weer sterk genoeg om zijn paard te bestijgen. Zijn vrouw vertelde hij niets, maar hij begaf zich zonder dralen naar het huis van de schout.
Die vertelde hij dat hij zeventien vrouwen had vermoord; dertien lijken had hij in de kerker van zijn kasteel verborgen, de overige vier had hij in het woud begraven. De schout knikte, lusteloos en ongelovig, en schonk zich koffie in.
Blauwbaard bleef evenwel bij hoog en laag beweren dat hij de moordenaar was en dat hij zich kwam aangeven.
Het verhaal zei de schout weinig. “U bent Markies, nietwaar? Wel, edellieden sluiten wij sowieso niet op, dat druist in tegen de gangbare zeden, ziet u? En wanneer u zoveel vrouwen vermoord heeft, wil dat nog niet zeggen dat u een moordenaar bent, begrijpt u wel?”
Vragend keek Blauwbaard op.
“Ik bedoel maar te zeggen… misschien waren enkele van die vrouwen onwelwillend –ze weigerden met u te slapen bijvoorbeeld-, of ze leden aan geesteswanen en dienden daarom uit de weg geruimd te worden. Dit alles maakt u eerder onze nieuwe schout dan een moordenaar. Maar ook als u een moordenaar was… edellieden sluiten wij helaas niet op. Verstaat u wel?”
Blauwbaard knikte, en keerde onverrichter zake naar zijn slot terug.

Hoofdstuk 17 Oprechtheid

Met zijn vrouw sprak hij niet of nauwelijks. Ze sliepen naast elkander in hetzelfde ledikant, maar minden niet.
Op een nacht stond Blauwbaard zachtjes op, hij nam zijn zwaard en daalde de duistere trap naar de kelder af. Een kaars had hij niet meegenomen, de weg vond hij zo ook wel.
Hij begaf zich met vaste tred naar de kerker, opende hem en verbleef er een wijle. De kerker was schoongemaakt, de lijken van de vrouwen waren in een stille nacht door Blauwbaard zelf met enkele dienaren op het kerkhof van het dorp in de buurt begraven. Ook de vier vrouwen die hij in het woud had begraven, had hij op weten te speuren. Hij had ze geheel allenig meegezeuld naar het kerkhof en aldaar een waardige laatste rustplaats gegeven.
Zijn dienaren hadden geen woord gezegd en geen vraag gesteld. Zij waren het gewoon bevelen uit te voeren, het vragen naar het waarom leverde doorgaans slechts ellende en narigheid zoals brodeloosheid en zwerverij op.

Nadat Blauwbaard enkele minuten zwijgzaam in de kerker gestaan had, ging hij naar buiten, hij nam zijn zwaard en plantte het omgekeerd in een reet tussen twee keldervloerstenen. Hij ontblootte zijn borst, haalde diep adem, rekte zijn lichaam achterover en was voornemens zich met kracht in zijn zwaard te storten.

Op dat moment kwam Judith de trap af. Zij was ontwaakt en had voorvoeld dat haar man opnieuw iets vreselijks van plan was, ditmaal gericht tegen hemzelf!
“Néééé!!”, kreet zij, toen zij in de donkere keldergang ontwaarde dat Blauwbaard zich in zijn zwaard wilde storten om zichzelve van het leven te beroven.
Maar Blauwbaard viel al voorover, alleen –door de schrille kreet zijner vrouw- plantte het zwaard zich in zijn schouder en niet in zijn hart, zoals hij bedoeld had.
“Och man,” stamel-zuchtte Judith wanhopig, “Kun je niet eens aflaten je met dood en moord te occuperen?”
Gesteund door zijn vrouw beklom Blauwbaard moeizaam de trap. Hij moest maandenlang bedrust houden. Opnieuw verzorgde Judith hem, maar Blauwbaard was wel spraakzamer ditmaal.
Hij vertelde zijn geliefde en trouwe echtgenote dat hij de schout had opgezocht om zichzelf aan te geven en wat diens reactie was geweest. Hij vertelde haar hoe hij zo eerbiedig als hij had gekund de lijken van de vrouwen in stilte naar het kerkhof had verplaatst. En hij begon eindelijk ook te verhalen over zijn eigen jeugd, over zijn vader die hem dikwijls tot bloedens toe had geslagen, en zijn moeder die werkeloos toe had staan kijken hoe hij in de kerker werd opgesloten. Hij vertelde over de doodsangsten die hij had uitgestaan als kind, de keren dat hij zeker wist dat hij zou sterven daar in die donkere kerker, maar dat net enkele minuten later een dienaar met brood en water aan de kerkerdeur was verschenen. Hij vertelde dat hij weggelopen was van het slot, maar dat wolven hem hadden bedreigd en dat hij rennen moest voor zijn leven. Maar de wolven waren sneller geweest dan hij –hij was immers nog een jongen- en zij waren begonnen hem te verscheuren. Kennelijk smaakte hij de wolven niet, want na hem tot bloedens toe te hebben gebeten, lieten de wilde beesten hem voor dood achter in het woud. Hij had gezweefd tussen leven en dood, tussen waken en slapen.
Na lange tijd had hij met moeite op weten te krabbelen en was op pad gegaan naar het slot, terug naar het ouderlijk kasteel. Daar was hij gehavend en met bebloed gezicht aangekomen, hetgeen zijn vader om onduidelijke redenen razend had gemaakt, zodat die het werk van de wolven nog eens dunnetjes overdeed, en hem zó een pak rammel gaf, dat hij sterretjes zag en in onmacht viel.
Met horten en stoten –en stukje bij beetje- kwamen deze verhalen eruit. Judith luisterde geduldig en aandachtig, zij oordeelde niet, zij bleef slechts van haar man houden zoals zij altoos had gedaan.

Kinderen kregen zij niet, deze beide echtelieden, omdat Blauwbaard zich onwaardig achtte om nog met zijn vrouw te slapen, en nog veel erger dan dat: hij was er als de dood voor.
Hoe vaak had hij niet met een vrouw geslapen om haar daarna om te brengen?

Die walgelijke en onuitwisbare herinneringen aan zijn eigen wandaden vervulden hem met diepe angst en wanhoop.
Dus sliepen de beiden naast elkander, Blauwbaard waagde het zijn jonge echtgenote te strelen of een liefkozing te geven, maar verder ging hij niet.
Wel werd hij erg actief naar buiten toe: hij zette zich in voor de verzorging van armen, wezen en zieken. Hij was de eerste die een armenhuis oprichtte. Hij diende voorstellen in voor een betere rechtspraak en wanneer die aangenomen werden, zag hij erop toe dat ze ook nageleefd werden. Hij werkte erg hard om goed te doen en zo vrede te vinden met zichzelf.
Judith zag het, en haar liefde voor haar man nam alleen maar toe.

Hoofdstuk 18 Laatste jaren

Op de leeftijd van zesenzestig jaren, durfde Blauwbaard voor het eerst zijn vrouw weer te beminnen. Door alle jaren van onthouding was zijn liefde voor zijn vrouw zo intens geworden, dat de wat verbleekte Judith wederom rozig werd, en wangen kreeg die gloeiden als die van een jonge maagd. Haar lippen werden vol als rozerode pioenrozen, haar huid streelzacht en ontvankelijk als die van een pasgeboren baby en Blauwbaard… Blauwbaard voelde zich voor het eerst in zijn leven een man. Zijn baard verfde hij thans niet meer, die was nu lichtgrijs –bijna wit- geworden.

Toen Blauwbaard de leeftijd van zevenentachtig jaren bereikt had, voelde hij dat zijn einde nabij was.
Op zijn doodsbed sprak hij tot zijn vrouw: “Nu pas voel ik voor het eerst dat ik mijzelf een beetje begin te vergeven.”
“Dan is je leven niet voor niets geweest,” antwoordde zijn vrouw.
Markies Blauwbaard stierf nog diezelfde nacht. Zijn vrouw ging twee maanden later.

 

EINDE!

 

Uitleg moeilijke woorden:

Allenig betekent hetzelfde als alleen
Altoos betekent altijd
Een attaque is een beroerte
Beneê is poëtisch-Nederlands voor beneden
Een boudoir is een privévertrek voor een dame, waar zij een toilettafel heeft en zich mooi kan maken
Een brits is een zeer eenvoudig bed
Broeder is broer
Een chaperon is een begeleider, een chaperonne een begeleidster. Chaperonnes werden vroeger vaak ingezet om oneerzame handelingen van mannen te voorkomen.
Copieus is uitgebreid en overvloedig
Een corpus is een lijk
‘Dier’ betekent ‘van die’
Dralen is hetzelfde als talmen/treuzelen. Zonder dralen betekent zonder oponthoud, zonder aarzeling, gelijk, meteen.
Elkander is hetzelfde als elkaar
Fecaliën zijn menselijke uitwerpselen
Festijn is een ander woord voor feest
Een freule is een jonge, ongetrouwde dame van adel
Ganse is gehele
Gehavend betekent ernstig toegetakeld, met gescheurde kleren
Geveinsd betekent gespeeld, niet echt, gefaket
Hare is haar
‘Hunner’ is ‘van hun’
Imposant is indrukwekkend
Een kerker is een onderaardse gevangenis, een gevangenis in de kelder
‘Kreet’ is de verleden tijd van ‘krijten’, een oud woord voor schreeuwen
Het krieken van de dag is het aanbreken van de dag
Lange is Oudnederlands voor lang
Ledikant is een oud woord voor bed
Leed is emotionele pijn, smart, verdriet
‘Lei’ is Oudnederlands voor ‘legde’
Een lichtekooi is een prostituee
Minnen is een ander woord voor liefhebben, vrijen
Minuscuul is piepklein
‘Zich occuperen met’ is ‘zich bezighouden met’
‘In onmacht vallen’ is een synoniem van ‘flauwvallen’
Onvermurwbaar is onverbiddelijk, het betekent dat je je niet laat afbrengen van het plan dat je hebt; het tegenovergestelde van onvermurwbaar is toegeeflijk
Onverrichter zake is zonder gedaan te hebben wat je wilde doen
‘Poog’ komt van het werkwoord ‘pogen’ en dat betekent trachten, proberen
Een reet is een kier
Een schout was vroeger een wetsdienaar, een politiechef
Schril is hoog en scherp/onaangenaam
Sela betekent pauze, rustpunt, moment van op adem komen
Thans betekent nu, heden ten dage
Viriel is mannelijk
Wederom is hetzelfde als weerom, weer, opnieuw
Een wijle is een tijdje, een poosje
Zichzelve is zichzelf
‘Zijner’ is ‘van zijn’
Zoude is Oudnederlands voor zou.

Sprookjesschrijver Frederick Haverkate heeft een voorliefde voor Oudnederlandse en poëtisch-Nederlandse woorden, omdat zij sprookjesachtig klinken en sfeerverhogend werken.